ECLI:NL:RBZUT:1999:AA7085
Rechtbank Zutphen
- Voorlopige voorziening
- L. van Gijn
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening inzake ontslaguitkering en anti-cumulatie neveninkomsten
Verzoeker, voormalig ambtenaar bij het ministerie van Economische Zaken, kreeg eervol ontslag met een uitkering op grond van artikel 99 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Na onderhandelingen werd een regeling getroffen over de hoogte van de uitkering en de verrekening van neveninkomsten. Verzoeker ontving vanaf juni 1999 een lagere uitkering vanwege inkomsten uit een dienstbetrekking bij een gemeente, wat verweerder 1 als rechtmatige toepassing van anti-cumulatie van neveninkomsten beschouwde.
Verzoeker stelde dat de korting op de uitkering onterecht was omdat neveninkomsten pas gekort mochten worden indien deze hoger waren dan 110% van het laatst genoten salaris. De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst en de omstandigheden zodanig zijn dat verzoeker redelijkerwijs niet mocht verwachten dat hij meer dan 110% van zijn vroegere salaris ongekort zou mogen bijverdienen naast de uitkering.
Het besluit van 8 juli 1999, waarin het bezwaarschrift van verzoeker niet-ontvankelijk werd verklaard, werd deels bekritiseerd omdat USZO geen bestuursorgaan is en de intrekking van een besluit van verweerder 2 niet bevoegd was. Desondanks werd geen voorlopige voorziening toegewezen omdat het lagere bedrag aan uitkering terecht werd betaald.
De verzoeken om voorlopige voorziening tegen besluiten van 12 en 28 juli 1999 werden niet-ontvankelijk verklaard omdat geen bezwaar- of beroepschriften waren ingediend. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot verlaging van de uitkering wordt afgewezen en de andere verzoeken worden niet-ontvankelijk verklaard.