ECLI:NL:RBZUT:2000:AA6742
Rechtbank Zutphen
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening toekenning WW-uitkering bij ontbinding arbeidsovereenkomst en fictieve opzegtermijn
Verzoeker, sinds 1963 werkzaam bij zijn werkgever, kreeg zijn arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 januari 2000 met een vergoeding. Verzoeker vroeg WW-uitkering aan, maar deze werd afgewezen omdat de vergoeding werd gelijkgesteld met loon over een fictieve opzegtermijn, waardoor de uitkering pas per 1 juni 2000 zou ingaan.
Verzoeker stelde dat bij bepaling van de eerste werkloosheidsdag geen rekening behoefde te worden gehouden met deze gelijkstelling en dat hij aan de referte-eis voldeed. De rechtbank oordeelde dat de gewijzigde uitvoeringspraktijk die niet-gew erkte weken tijdens de fictieve opzegtermijn niet gelijkstelt aan gewerkte weken, niet strookt met de wetgeverbedoeling.
De rechtbank concludeerde dat verzoekers werkloosheid op 3 januari 2000 is ingetreden en dat hij aan de referte-eis voldoet. Gezien het spoedeisend belang wees de rechtbank de voorlopige voorziening toe en beval een voorschot op de WW-uitkering vanaf die datum, zonder onvoorwaardelijke toekenning.
De uitspraak is voorlopig en bindt niet voor de bodemprocedure. Verweerder werd tevens veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen; voorschot op WW-uitkering vanaf 3 januari 2000 toegekend.