ECLI:NL:RBZUT:2000:AA6744
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkering wegens niet-blijvende betalingsonmacht tijdens surseance van betaling
Eiseres was werkzaam bij een vennootschap die surseance van betaling kreeg. Na beëindiging van haar dienstverband vorderde zij betaling van niet-genoten vakantiedagen, waarvoor de werkgever door de kantonrechter werd veroordeeld. De werkgever betaalde echter niet, waarna eiseres een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW) aanvroeg bij verweerder. Deze weigerde de uitkering omdat volgens hem tijdens surseance van betaling geen sprake is van blijvende betalingsonmacht.
Eiseres maakte bezwaar tegen deze afwijzing en stelde dat artikel 61 WW Pro dit niet uitsluit. De rechtbank oordeelde dat de regeling in hoofdstuk IV WW alleen voorziet in uitkering indien de non-betaling voortvloeit uit blijvende betalingsonmacht van de werkgever. Tijdens surseance van betaling is daarvan geen sprake, mede gelet op de wetsgeschiedenis en jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
De rechtbank verwierp het beroep en bevestigde dat de aanvraag om uitkering ook betrekking kan hebben op vorderingen die zijn ontstaan vóór faillissement of surseance, maar dat dit niet leidt tot recht op uitkering zolang de werkgever niet in een toestand van blijvende betalingsonmacht verkeert. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag uitkering WW wegens niet-blijvende betalingsonmacht tijdens surseance van betaling wordt ongegrond verklaard.