ECLI:NL:RBZUT:2000:AA8465

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
18 oktober 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/993
Instantie
Rechtbank Zutphen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.A. Lok
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:36 AwbArt. 8:81 AwbArt. 5:24 AwbArt. 5:32 AwbArt. 100 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing bestuursdwang en dwangsom bij stillegging bouwactiviteiten zonder vergunning

Verzoeker is zonder bouwvergunning gestart met het vervangen van het pannendak van zijn woning, waarbij Velux-dakramen werden vervangen door rietgedekte dakkapellen. De gemeente legde op 8 september 2000 de bouwactiviteiten stil op grond van artikel 100 Woningwet Pro, een bestuursdwangbesluit. Vervolgens legde de gemeente op 12 september 2000 een dwangsom op om de bestuursdwang te versterken.

De rechtbank oordeelt dat het toepassen van bestuursdwang krachtens artikel 100 Woningwet Pro inderdaad bestuursdwang is en dat het opleggen van een dwangsom naast een lopend bestuursdwangbesluit in strijd is met artikel 5:36 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De dwangsombeschikking kan daarom niet worden gehandhaafd zolang het bestuursdwangbesluit niet is ingetrokken.

Hoewel de bouwactiviteiten vergunningplichtig zijn en de vergunning ontbrak, acht de rechtbank het bestuursdwangbesluit voorlopig gegrond. De stillegging is een tijdelijke maatregel in afwachting van verdere besluitvorming over legalisatie of afbraak. Gezien de voortgang van de werkzaamheden kan voortzetting schade veroorzaken, maar de gemeente moet de situatie niet onnodig lang laten voortduren. Verzoeker heeft inmiddels een bouwvergunning aangevraagd en het nog uit te voeren werk kan worden gelegaliseerd zonder vrijstelling van bestemmingsplanvoorschriften.

De rechtbank concludeert dat onverwijlde spoed een voorlopige voorziening vereist en schorst het bestuursdwangbesluit. Tevens veroordeelt zij de gemeente tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker. De gemeente staat vrij later een handhavingsbesluit te nemen over de verwijdering van de dakkapellen.

Uitkomst: Het bestuursdwangbesluit en het dwangsombesluit worden geschorst wegens strijd met artikel 5:36 Awb.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ZUTPHEN
Sector Bestuursrecht
Reg.nr. 001993
UITSPRAAK
op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:
A te B, verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Epe, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluiten van verweerder van 8 en 12 september 2000.
2. Procesverloop
Namens verzoeker heeft mr. P.J. Heijnen, advocaat te Apeldoorn, bij brief van 29 september 2000 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij brief van 3 oktober 2000 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 18 oktober 2000, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Heijnen, voornoemd. Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. K.A. Weerts en M.F.P. van der Put, ambtenaren der gemeente.
3. Motivering
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Awb dient te worden nagegaan, of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.
Verzoeker is zonder in het bezit te zijn van een bouwvergunning begonnen met het vervangen van het pannendak van zijn woning door een heten dakbedekking., Daarbij zijn de aanwezige Velux-dakramen vervangen door rietgedekte dakkapellen. Op 8 september 2000 heeft M.F.P. van der Put, ambtenaar van bouw- en woningtoezicht, de bouwactiviteiten met toepassing van artikel 100, derde lid, van de Woningwet jo. artikel 11. 1 van de Bouwverordening stilgelegd. Bij brief van 12 september 2000 heeft verweerder voornoemde stillegging (door verweerder ten onrechte betiteld als een bevel tot stillegging) ter uitvoering van artikel 5.24, zesde lid, Awb schriftelijk bevestigd en met toepassing van artikel 5:32 van Pro de Awb een dwangsom van fl. 25.000,-- opgelegd.
Dienaangaande wordt het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 5:36 van Pro de Awb wordt een last onder dwangsom niet opgelegd zolang een ter zake van de betrokken overtreding reeds genomen beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet is ingetrokken.
Toepassen van de in artikel 100 van Pro de Woningwet gegeven bevoegdheid tot het stilleggen van bouwactiviteiten betreft het toepassen van bestuursdwang. Verweerder heeft de beslissing tot het toepassen van bestuursdwang niet ingetrokken. Verweerder heeft daarentegen juist de bedoeling gehad de toepassing van bestuursdwang te versterken door middel van het opleggen van een dwangsom. Dit is in strijd met artikel 5:36 van Pro de Awb. Bij het besluit op het bezwaarschrift zal verweerder het dwangsombesluit van 12 september derhalve niet kunnen handhaven.
Niet in geschil is dat de in geding zijnde activiteiten bouwvergunningplichtig zijn en voorts dat daarvoor geen bouwvergunning is verleend. Naar voorlopig oordeel was verweerder bevoegd het bestuursdwangbesluit te nemen.
Een besluit tot het stilleggen van bouwactiviteiten op grond van artikel 100 van Pro de Woningwet is in het algemeen niet onrechtmatig te achten indien het bouwvergunningplichtige werkzaamheden betreft waarvoor (nog) geen bouwvergunning is verleend.
Stilleggen van de werkzaamheden met toepassing van de in artikel 100 van Pro de Woningwet gegeven bevoegdheid moet worden opgevat als een tijdelijke maatregel in afwachting van nadere besluitvorming omtrent het antwoord op de vraag of hetgeen zonder vergunning is gebouwd kan worden gelegaliseerd, moet worden gedoogd, dan wel moet worden afgebroken.
In dit geval heeft verzoeker bewust het risico aanvaard dat de werkzaamheden zouden worden stilgelegd op grond van artikel 100 van Pro de Woningwet.
Gelet op de stand van de werkzaamheden op het moment dat deze werden stilgelegd, is aannemelijk dat voortduring van de bestaande situatie grote onherstelbare schade voor verzoeker kan opleveren. Hoewel verzoeker deze toestand in belangrijke mate aan zichzelf te wijten heeft, ligt het op de weg van verweerder de patstelling niet onnodig lang te laten voortduren.
Gebleken is dat verzoeker inmiddels een bouwvergunning heeft aangevraagd. Genoegzaam staat voorts vast dat hetgeen nog moet worden uitgevoerd (dekken met riet boven de reeds realiseerde en met riet gedekte dakkapellen die de welstandscommissie niet in overeenstemming acht met redelijke eisen van welstand) gelegaliseerd kan worden door middel van vergunningverlening, zonder dat vrijstelling van bestemmingsplanvoorschriften behoeft te worden verleend. Naar voorlopig oordeel bestaat er onder die omstandigheden geen redelijke grond het bestuursdwangbesluit nog langer te handhaven.
Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat besluitvorming ter zake van het bezwaarschrift niet binnen twee maanden behoeft te worden verwacht en verweerder is kennelijk niet voornemens om anders dan in het kader van de beslissing op het bezwaarschrift tot een nader besluit inzake de stillegging te komen.
Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.
Het vorenoverwogene leidt er toe dat ook het bestreden bestuursdwangbesluit moet worden geschorst.
In het vorenoverwogene wordt voorts aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.
Ten overvloede merkt de president nog op dat het verweerder vrij staat om op enig moment, bijvoorbeeld bij het besluit op de aanvraag bouwvergunning, een handhavingsbesluit te nemen met betrekking tot de verwijdering van de dakkapellen.
4. Beslissing
De president van de rechtbank,
recht doende:
schorst de bestreden besluiten;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van fl. 1.420,-ter zake van verleende rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Epe;
gelast dat de gemeente Epe het door verzoeker betaalde griffierecht (fl. 225,-) aan hem vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.A, Lok, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 18o ober 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op: 20 oktober 2000
Voor copie conform,
De griffier van de
rechtbank te Zutphen