ECLI:NL:RBZUT:2000:AB2253
Rechtbank Zutphen
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- L. van Gijn
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep en voorlopige voorziening inzake terugvordering bezoldiging na disciplinair ontslag
Eiser, een voormalig leraar, werd op 7 april 1998 disciplinair ontslagen met ingang van 15 april 1998 wegens plichtsverzuim. Tegen dit ontslagbesluit werd bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend, waarbij de president van de rechtbank het ontslagbesluit tijdelijk schorste.
Na het ontslag heeft verweerder onverschuldigde bezoldiging teruggevorderd, een bedrag van bijna 60.000 gulden, met verwijzing naar de CAO-VO. Eiser stelde dat de brief van terugvordering niet als een bezwaar kon worden aangemerkt en stelde beroep in bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat het bezwaar niet correct was ingediend, maar dat de overschrijding van de termijn verschoonbaar was en dat het beroepschrift als bezwaar moest worden behandeld.
De president van de rechtbank oordeelde dat de betalingen als voorschotten moesten worden gezien en dat verweerder bevoegd was tot terugvordering, mede omdat het ontslag gehandhaafd bleef. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat eiser rekening moest houden met het ontslag en het ontbreken van recht op bezoldiging vanaf 15 april 1998. Wel werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.
De uitspraak bevestigt dat terugvordering van onverschuldigde betalingen na een gehandhaafd ontslagbesluit rechtmatig is en dat een aparte beslissing over een betalingsregeling een zelfstandig besluit vormt waartegen rechtsmiddelen openstaan.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen; verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.