ECLI:NL:RBZUT:2001:AB1641
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E. van der Kallen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepasselijkheid en ter hand stellen algemene voorwaarden AVA 1992 in aannemingsovereenkomst
In deze civiele procedure staat centraal of de algemene voorwaarden AVA 1992, inclusief een arbitraal beding, toepasselijk zijn op de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst van 15 oktober 1999. Gedaagde betwist dat deze voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan hem ter hand zijn gesteld, wat volgens hem leidt tot vernietigbaarheid van het arbitraal beding op grond van artikel 6:233 jo Pro. 6:234 BW.
De rechtbank stelt vast dat de aannemingsovereenkomst duidelijk verwijst naar de AVA 1992 en dat het arbitraal beding daarmee bewezen is door geschrift. De vraag of gedaagde het beding heeft aanvaard wordt beoordeeld aan de hand van de regels voor algemene voorwaarden. Omdat gedaagde de opdrachtbevestiging heeft ondertekend, mocht eiser aannemen dat de AVA 1992 deel uitmaakten van de overeenkomst.
De rechtbank weegt dat de AVA 1992 een geringe omvang hebben en dat er geen aanwijzingen zijn dat het ter hand stellen redelijkerwijs niet mogelijk was. Omdat gedaagde betwist dat hij de voorwaarden heeft ontvangen, wordt eiser toegelaten tot bewijslevering, onder meer door getuigenverhoor, om aan te tonen dat de AVA 1992 voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde ter hand zijn gesteld.
De zaak wordt aangehouden voor verdere beslissing nadat dit bewijs is geleverd. Dit vonnis betreft een incidentprocedure over de bevoegdheid van de rechtbank en de geldigheid van het arbitraal beding in de AVA 1992.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot onbevoegdverklaring af en staat eiser toe bewijs te leveren dat de AVA 1992 voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan gedaagde ter hand zijn gesteld.