ECLI:NL:RBZUT:2001:AD3513
Rechtbank Zutphen
- Hoger beroep
- R.M.A.G. van Valderen
- G.W. Brands-Bottema
- M.F.J.N. van Osch
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over verjaring vordering wegens beroepsziekte en stuiting verjaring
In deze civiele procedure in hoger beroep staat de vraag centraal of de vordering van appellant wegens schade door beroepsziekte is verjaard. De kantonrechter had geoordeeld dat de verjaring was voltooid op 21 november 1991, waardoor appellant niet ontvankelijk werd verklaard. Appellant stelde dat de verjaring pas begon te lopen toen hij in december 1992 door een medisch specialist werd geïnformeerd over een mogelijke organische oplosmiddelenintoxicatie.
De rechtbank overweegt dat het criterium van bekendheid met schade en aansprakelijke persoon subjectief moet worden opgevat en dat de verjaring pas begint te lopen wanneer de benadeelde voldoende feiten kent om een causaal verband mogelijk te achten. Uit het medisch dossier blijkt dat de huisarts en de bedrijfsgezondheidskundige dienst aanvankelijk geen verband zagen tussen de klachten en blootstelling aan chemicaliën. Pas in december 1992 was er een indicatie van een mogelijke intoxicatie.
De rechtbank oordeelt dat de verjaring daarom pas vanaf 15 december 1992 is gaan lopen en dat appellant tijdig de verjaring heeft gestuit met een brief van 11 november 1997. De eerdere brief van 13 november 1995 wordt eveneens als stuitingshandeling beschouwd. De rechtbank vernietigt het vonnis van de kantonrechter en verwijst de zaak terug voor inhoudelijke beoordeling. BASF wordt veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: Het vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd, de verjaring is tijdig gestuit en de zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke beoordeling.