ECLI:NL:RBZUT:2002:AE0154
Rechtbank Zutphen
- Voorlopige voorziening
- K. van Duyvendijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij beëindiging bijstandsuitkering wegens onjuist woonadres en weigering verblijfplaats
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn om zijn bijstandsuitkering per 1 december 2001 te beëindigen, omdat hij een onjuist woonadres had opgegeven en weigerde zijn werkelijke verblijfplaats te melden. Verzoeker vroeg om voortzetting van de uitkering gedurende de bezwaarprocedure via een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter overwoog dat verzoeker niet in een acute financiële noodsituatie verkeerde, aangezien alleen toekomstige incassokosten werden genoemd en verzoeker reeds voorschotten had ontvangen. Daarnaast was er twijfel over de toepasselijkheid van de opschortingsregeling van artikel 69, eerste lid, van de Algemene bijstandswet in gevallen waarbij eerst een onjuist adres is opgegeven en vervolgens de werkelijke verblijfplaats niet wordt medegedeeld.
Het bestreden besluit was gebaseerd op een rapport van de sociale recherche en de erkenning van verzoeker dat hij niet op het opgegeven adres woonde. De rechtbank vond dat het besluit niet evident onjuist was omdat de opschortingsregeling niet zonder meer van toepassing is. Hoewel verzoeker later zijn huidige adres had opgegeven, was dit onvoldoende om het recht op bijstand per 1 december 2001 vast te stellen.
Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af en was er geen aanleiding tot veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de bijstandsuitkering is afgewezen.