ECLI:NL:RBZUT:2002:AE1385
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Betwisting courtagebetaling na bemiddeling vastgoedtransactie met intrekking opdracht en ontbindende voorwaarden
Deze civiele zaak betreft een geschil over de verschuldigdheid van makelaarscourtage tussen een makelaar ([eiser]) en twee gedaagden ([gedaagde 1] en [gedaagde 2]) inzake de bemiddeling bij de verkoop van diverse winkelpanden en bouwterrein. De makelaar stelt dat hij recht heeft op courtage op grond van de Landelijke Makelaars Vereniging (LMV) voorwaarden, omdat hij de partijen bij elkaar heeft gebracht en de uiteindelijke koopovereenkomst verband houdt met zijn dienstverlening.
De gedaagden betwisten dit en voeren aan dat de opdracht aan de makelaar in de zomer van 1999 is ingetrokken en dat de uiteindelijke koopovereenkomst in september 2000 tot stand is gekomen met een andere makelaar, waardoor geen courtage aan [eiser] verschuldigd zou zijn. Tevens stellen zij dat, indien toch courtage verschuldigd is, deze beperkt moet blijven tot een vergoeding van 10% van de courtage conform artikel 24 LMV Pro-voorwaarden, omdat de intrekking het gevolg zou zijn van toerekenbare tekortkomingen van [eiser].
De rechtbank overweegt dat de ontbindende voorwaarde in de conceptkoopakte door de kopers is ingeroepen, maar dat partijen later weer zijn gaan onderhandelen en uiteindelijk een koopovereenkomst is gesloten die de eerdere afspraken vervangt. Dit betekent dat de courtageplicht op grond van artikel 17 LMV Pro-voorwaarden blijft bestaan. De brief van 5 november 1999 wordt gezien als intrekking van de opdracht aan [eiser]. De rechtbank wijst partijen gelegenheid toe om zich nader uit te laten over het standpunt dat een tweede makelaar is ingeschakeld en over de vraag of deze als collega-makelaar kwalificeert.
De vordering van [gedaagden] tot schadevergoeding wegens toerekenbare tekortkomingen van [eiser] wordt voorlopig aangehouden, evenals de verdere beslissing in conventie. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf de dagvaarding en bepaalt dat partijen zich op de rol van 2 mei 2002 hierover zullen uitlaten.
Uitkomst: De rechtbank wijst partijen gelegenheid tot nadere toelichting en houdt verdere beslissing aan.