ECLI:NL:RBZUT:2002:AE1667
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen niet-ontvankelijkheid bij gelijktijdige bouwvergunningaanvragen voor dezelfde locatie
In deze bestuursrechtelijke zaak stond de vraag centraal of bij twee gelijktijdige bouwvergunningaanvragen voor verschillende bouwplannen op dezelfde locatie de verweerder gehouden is om één of beide aanvragen niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank constateerde dat noch de Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch de Woningwet of andere regelgeving hiertoe aanleiding geven.
De bouwvergunningen waren verleend voor het oprichten van woningen op een perceel dat bestemd is voor woondoeleinden. De rechtbank beoordeelde het bouwplan aan de hand van het bestemmingsplan en de bijbehorende planvoorschriften. Daarbij werd vastgesteld dat de bouwplannen voldeden aan de relevante voorschriften, waaronder maatvoering en afstandseisen, en dat de ruimtelijke karakteristiek voor de locatie niet eenduidig was vastgesteld, waardoor bepaalde voorschriften buiten toepassing bleven.
De rechtbank wees erop dat indien na 26 weken na onherroepelijkheid van een bouwvergunning niet met de bouw wordt gestart, intrekking kan worden verzocht op grond van artikel 59 van Pro de Woningwet. Verder werd bevestigd dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een eerdere uitspraak geen aanleiding zag om de vergunningen niet-ontvankelijk te verklaren.
De rechtbank concludeerde dat de verweerder de verleende vergunning op goede gronden in stand heeft gelaten en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de verleende bouwvergunning wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.