2.1 Op 5 september 1997 heeft [A] Exploitatiemaatschappij haar aandelen in [A] BV aan [eiseres] verkocht. De koopsom bedroeg f 3.500.000,--.
2.2 [eiseres] heeft f 3.000.000,-- betaald. Voor het restant van f 500.000,-- is tussen [eiseres] en [gedaagde] op 5 september 1997 een akte van geldlening overeengekomen, die, voor zover thans van belang, als volgt luidt:
" (…) de heer Ir [B], directeur (…) te dezen handelend als directeur van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] Management BV (…), hierna te noemen: schuldenaar (…) de heer [gedaagde], directeur (…) te dezen handelend als directeur van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] Exploitatie BV (…) hierna te noemen: schuldeiser (…) verklaren:
A. CONSIDERANS
1. Bij akte (…) heeft schuldeiser aan schuldenaar aandelen verkocht en geleverd in het kapitaal van [A] BV voor een koopprijs groot drie miljoen vijfhonderdduizend gulden (f. 3.500.000,--). Schuldeiser en schuldenaar zijn hierbij overeengekomen dat een gedeelte van de koopprijs ad vijfhonderdduizend gulden ( f. 500.000,--) wordt schuldig gebleven.
(…)
B. GELDLENINGSOVEREENKOMST
(…)
2. Schuldenaar moet vanaf heden over het hiervoor vermelde geleende bedrag of het restant daarvan (…) per jaar een rente betalen die gelijk is aan de basisrente die de naamloze vennootschap ABN Amro Bank NV voor financieringen hanteert, te vermeerderen met een vaste risico-opslag van vijf vijf/tiende procent.
(…)
8. Achterstelling
De vorderingen tot aflossing uit hoofde van deze overeenkomst zijn achtergesteld bij schuldvorderingen van schuldenaar die betrekking hebben op de financiering in verband met de heden voor mij, notaris, verleden akte van overdracht van aandelen in het kapitaal [A] BV, ongeacht het tijdstip waarop zij zijn aangegaan (…)".
2.3 De ABN Amro bank heeft de koopsom van f. 3.000.000,-- voor [eiseres] gefinancierd onder de voorwaarde dat de geldleningovereenkomst met [gedaagde] achtergesteld zou worden. Deze achterstelling is schriftelijk vastgelegd op 5 september 1997 en luidt, voor zover thans van belang, als volgt:
" (…) de Bank kredietfaciliteiten zal verstrekken dan wel heeft verstrekt aan de Kredietnemer; de Bank tot een en ander bereid is onder meer onder de voorwaarde dat de vordering van de Schuldeiser, groot f 500.000,-- (vijfhonderdduizend gulden) ten laste van de Kredietnemer, blijkens de openingsbalans per 1.8.1997 en de leningsovereenkomst d.d. 5-9-1997 zal worden achtergesteld bij die van de Bank, zoals hierna is omschreven.
(…)
De Schuldeiser en de Kredietnemer verbinden zich bij deze tegenover de Bank en jegens elkaar om zolang de Kredietnemer bij de Bank kredietfaciliteiten geniet of aan de Bank iets verschuldigd is uit welken hoofde ook, zo in als buiten rekening-courant en al of niet in het gewone bankverkeer, met betrekking tot voormelde vordering van de Schuldeiser op de Kredietnemer geen (rechts-)handelingen te verrichten, of na te laten waardoor de vordering geheel of gedeeltelijk teniet gaat dan wel geheel of gedeeltelijk het vermogen van de Schuldeiser verlaat ofwel met een beperkt recht wordt bezwaard, tenzij de Bank hiervoor schriftelijke toestemming geeft en met inachtneming van door de Bank alsdan te stellen voorwaarden".
2.4 Bij ongedateerde aangetekende brief heeft [gedaagde] [eiseres] in gebreke gesteld en gesommeerd tot betaling van de overeengekomen termijnbetalingen.
2.5 [gedaagde] heeft [eiseres] bij exploit van 12 april 2002 gesommeerd om binnen twee dagen de hoofdsom te betalen. Vervolgens is door [gedaagde] ten laste van [eiseres] op 22 april 2002 executoriaal beslag gelegd onder [A] Holding BV.