ECLI:NL:RBZUT:2002:AF1081

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
6 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/1355 en 02/1400
Instantie
Rechtbank Zutphen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. van Duyvendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, derde lid, AbwArt. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en inkomsten overschrijding

De rechtbank Zutphen behandelde het beroep van eiseres tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem om haar bijstandsuitkering per 1 juni 2002 te beëindigen. Verweerder stelde dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met de heer betrokkene en dat diens inkomsten de bijstandsnorm voor gehuwden overschrijden.

Eiseres betwistte dat sprake is van gezamenlijke huishouding, onder meer omdat zij en betrokkene elk een eigen woning hebben en geen gezamenlijke hoofdverblijfplaats. Ook voerde zij aan dat haar verklaringen tijdens het vierde verhoor onder druk en taalbarrière zijn afgelegd, waardoor deze geen waarde zouden hebben.

De rechtbank oordeelde dat de verklaringen wel rechtsgeldig zijn afgelegd en dat uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat eiseres en betrokkene feitelijk samenwonen, onder meer door het afwisselend overnachten in elkaars woningen, het gebruik van elkaars sleutels, gezamenlijke aanwezigheid in de praktijkruimte en gezamenlijke kostenbetaling. Ook is sprake van wederzijdse verzorging. De bijstandsuitkering is daarom terecht beëindigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Bestuursrecht
Reg.nrs.: 02/1355 en 02/1400
UITSPRAAK
op het verzoek om een voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak, in het geschil tussen:
[eiseres], te [woonplaats], verzoekster/eiseres, hierna: eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doetinchem, verweerder.
1. Bestreden besluit
Besluit van verweerder van 25 september 2002, houdende ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres, gericht tegen het besluit van 13 augustus 2002, waarbij verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 juni 2002 heeft beëindigd.
2. Procesverloop
Namens eiseres heeft mr. M.J. van Dijk, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Zutphen, bij brief van 2 oktober 2002 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 25 september 2002 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 25 oktober 2002, alwaar eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J. te Hennepe, bijgestaan door [d[de man], sociaal rechercheur.
3. Motivering
Indien de voorzieningenrechter na de behandeling ter zitting van een verzoek om een voorlopige voorziening van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, kan hij, ingevolge artikel 8:86 van Pro de Awb, onmiddellijk uitspraak doen in de bij de rechtbank aanhangige hoofdzaak. Van die bevoegdheid wordt in dit geval gebruik gemaakt.
Verweerder heeft aan de beëindiging van de bijstandsuitkering per 1 juni 2002 ten grondslag gelegd dat uit onderzoek van de sociale recherche is gebleken dat eiseres een gezamenlijke huishouding voert met de heer [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) en diens inkomsten meer bedragen dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Verweerder heeft daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan hetgeen eiseres heeft verklaard tijdens het vierde verhoor door de sociale recherche.
Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Abw is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
Eiseres heeft er op gewezen dat zowel zij als [betrokkene] beschikken over een eigen woning en dat niet is gebleken dat zij gezamenlijk hoofdverblijf in een der beide woningen hebben.
Tevens heeft zij bestreden dat er sprake is van wederzijdse verzorging. Voorts heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte waarde heeft toegekend aan haar verklaringen zoals weergegeven in het proces-verbaal van het vierde verhoor.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Eiseres heeft volgens het proces-verbaal tijdens het vierde verhoor uiteindelijk verklaard – samengevat – dat zij al gedurende een jaar met [betrokkene] samenwoont in twee huizen, dat zij het laatste jaar iedere nacht bij elkaar slapen, afwisselend in elkaars woningen, dat zij ook overdag heel veel bij elkaar zijn, met name in de woning annex praktijkruimte van [betrokkene] te Ulft, waarbij eiseres ook werkzaamheden verricht in de praktijk (voor natuurgeneeswijzen) van [betrokkene].
Met betrekking tot de vraag of verweerder op deze verklaringen, zoals opgenomen in het mede door eiseres ondertekende proces-verbaal, heeft mogen afgaan, moet voorop worden gesteld dat volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een politiefunctionaris en/of een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan, tenzij is gebleken dat de eerste verklaring niet in vrijheid is afgelegd.
Aannemelijk is dat eiseres als gevolg van vermoeidheid en ongerustheid over de opvang van haar zoon onder een zekere druk heeft gestaan tijdens het vierde verhoor, maar deze omstandigheden zijn onvoldoende om aan te nemen dat eiseres haar verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd. Voorts is het niet aannemelijk dat eiseres, wier moedertaal Engels is, als gevolg van onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal verklaringen heeft afgelegd die niet overeenkwamen met haar bedoelingen. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat eiseres – ook na consultatie van haar gemachtigde, die, zo bleek ter zitting, door eiseres tussen het derde en het vierde verhoor in het Nederlands werd geconsulteerd – geen bezwaar heeft gemaakt tegen het feit dat de verhoren in de Nederlandse taal werden afgenomen. Bovendien heeft de sociaal rechercheur [de man], die de verhoren mede heeft afgenomen, ter zitting verklaard dat hem niet is gebleken dat eiseres de gestelde vragen en hetgeen zij in antwoord daarop heeft verklaard niet goed zou hebben begrepen. Voorts zijn er – mede gelet op het verhandelde ter zitting – onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de schriftelijke weergave van de verklaringen van eiseres onzorgvuldig tot stand is gekomen dan wel dat deze weergave door andere oorzaken inhoudelijk niet overeenkomt met hetgeen door eiseres mondeling is verklaard.
Eiseres kan derhalve niet worden gevolgd in haar standpunt dat aan haar verklaringen, zoals weergegeven in het proces-verbaal, geen waarde had mogen worden toegekend.
Met betrekking tot de vraag of verweerder terecht heeft aangenomen dat sprake is van hoofdverblijf in dezelfde woning, heeft te gelden dat daarvan volgens vaste rechtspraak van de CRvB (onder meer uitspraak van 20 juni 2000, JABW 2000/130) ook sprake kan zijn in het geval dat betrokkenen ieder beschikken over afzonderlijke woonruimte. In dat geval zal redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.
In het onderhavige geval is redelijkerwijs aannemelijk dat zich een situatie van samenwoning voordoet door de wijze waarop van beide woningen gebruik wordt gemaakt. Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van eiseres valt immers af te leiden dat eiseres en [betrokkene] reeds een jaar lang de avonden en nachten gezamenlijk afwisselend in de ene of de andere woning doorbrengen en overdag meestal gezamenlijk verblijven in met name de woning annex praktijkruimte van [betrokkene]. Hierbij is ook van belang dat eiseres, naar zij tijdens het vierde verhoor heeft verklaard, een sleutel heeft van de praktijk van [betrokkene] en deze een sleutel heeft van haar woning. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat de overige bevindingen van de sociale recherche, verkregen uit observaties en verhoren van derden, het beeld van feitelijke samenwoning bevestigen, waarbij verder nog van belang is dat eiseres en [betrokkene] sommige weekeinden gezamenlijk doorbrengen in de stacaravan van [betrokkene] te [plaats]. De omstandigheid dat bij onderzoek in de woning van eiseres geen eigendommen van [betrokkene] zijn aangetroffen en zich – naar eiseres onweersproken heeft gesteld – in de woning van [betrokkene] geen eigendommen van haar bevinden, is van onvoldoende gewicht om niet aannemelijk te achten dat sprake is van een feitelijke situatie van samenwoning.
Verweerder heeft derhalve terecht geconcludeerd dat wordt voldaan aan het vereiste van gezamenlijke huisvesting in de zin van artikel 3, derde lid, van de Abw.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder eveneens met juistheid geconcludeerd dat sprake is van wederzijdse verzorging in de zin van deze bepaling. In dit verband is van belang dat uit de verklaringen van eiseres tijdens het vierde verhoor (onder meer) blijkt dat zij vrijelijk kon beschikken over de auto van [betrokkene] zonder dat zij daarvoor (met inbegrip van de brandstof) een vergoeding verschuldigd was, dat [betrokkene] wel eens kleding kocht voor de zoon van eiseres en diens zwemlessen betaalde, dat het [betrokkene] was toegestaan om de zoon van eiseres van school op te halen (hetgeen bij de school bekend was), dat [betrokkene], als hij bij eiseres verbleef, mee at zonder daarvoor een vergoeding te betalen, dat eiseres kon gebruikmaken van de stacaravan van [betrokkene] zonder dat zij aan hem een vergoeding was verschuldigd, en tenslotte dat eiseres en [betrokkene] ieder ongeveer de helft van de kosten van de huishouding betaalden.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder de bijstandsuitkering van eiseres terecht en op goede gronden per 1 juni 2002 heeft beëindigd. Het beroep is derhalve ongegrond. Gelet hierop is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.
4. Beslissing
De voorzieningenrechter,
recht doende:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Tegen de uitspraak in de hoofdzaak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op: