ECLI:NL:RBZUT:2003:AF3006
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Oosten
- Van Beuge
- Prisse
- Rechtspraak.nl
Veroordeling tot 8 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van doodslag op meisje Rowena
Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van de doodslag op het meisje Rowena, medeplegen van het verbergen van haar lijk met het oogmerk het overlijden te verhelen, en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Uit het onderzoek bleek dat Rowena gedurende meerdere weken ernstig mishandeld werd door verdachte en haar medeverdachte, wat uiteindelijk leidde tot haar overlijden.
De rechtbank oordeelde dat verdachte niet bewezen kon worden dat zij moord pleegde, omdat er geen bewijs was voor kalm beraad en rustig overleg met het oogmerk tot doding. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte medepleegde aan doodslag, het verbergen van het lijk en de vrijheidsberoving. Verdachte had als moeder een bijzondere zorgplicht, maar bleef passief terwijl het kind werd mishandeld en stierf.
Psychiatrisch onderzoek wees uit dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was vanwege een persoonlijkheidsstoornis, maar dat een TBS-maatregel niet noodzakelijk was. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 8 jaar op, waarbij de tijd in voorlopige hechtenis en buitenlandse detentie werd verrekend. De rechtbank verwierp het bewijsverweer en oordeelde dat de verklaringen voldoende betrouwbaar waren.
De zaak veroorzaakte maatschappelijke ontzetting vanwege de ernst van de mishandeling en de wijze waarop met het lijk werd omgegaan. De rechtbank benadrukte het blijvende leed voor de nabestaanden en de ernst van de verwaarlozing door de moeder.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 8 jaar gevangenisstraf voor medeplegen van doodslag, medeplegen van het verbergen van het lijk en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving.