ECLI:NL:RBZUT:2003:AF4979

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
12 februari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
Reg.nr.: 02/662 GEMWT
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Borgerhoff Mulder
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 59 Wet op de Ruimtelijke Ordening
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging dwangsombesluit gemeente over permanente bewoning recreatiewoning

Eiser werd door de gemeente Harderwijk aangesproken om de permanente bewoning van zijn recreatiewoning te staken, omdat het bestemmingsplan 'De Strokel 1973' recreatiewoningen alleen voor tijdelijk recreatief gebruik toestaat. De gemeente handhaafde dit dwangsombesluit ondanks bezwaar van eiser, die stelde dat zijn hoofdverblijf elders was.

De rechtbank oordeelde dat de gemeente onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat eiser zijn hoofdverblijf in de recreatiewoning had, ondanks dat eiser niet op dat adres was ingeschreven en de gemeente aannam dat hij daar woonde. De motivering van de gemeente was onvoldoende volgens artikel 7:12 Awb Pro.

Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, het dwangsombesluit vernietigd en geschorst tot zes weken na een nieuwe beslissing. De gemeente werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De uitspraak bevestigt dat bestemmingsplannen en handhaving daarvan binnen het algemeen belang vallen en dat motivering van bestuursbesluiten essentieel is.

Uitkomst: Het dwangsombesluit van de gemeente Harderwijk wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering over het hoofdverblijf van eiser.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Uitspraak in verband met een aanschrijving van de gemeente aan een bewoner tot staking van zijn permanente bewoning van een recreatiewoning.
Reg.nr.: 02/662 GEMWT
UITSPRAAK
in het geding tussen:
[naam], te [woonplaats] eiser,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 13 maart 2002.
2. Feiten en procesverloop
Bij besluit van 6 juni 2001 heeft verweerder eiser aangeschreven om de permanente bewoning van het recreatieverb[adres] [nr.]es,woonplaats] vóór 1 februari 2002 te (laten) staken en gestaakt te (laten) houden, op verbeurte van een dwangsom van NLG 5.000,-- per vier weken, met een maximum van NLG 50.000,--.
Tegen dit besluit heeft mr. A.D. Kok, advocaat te [plaats], namens eiser bezwaar gemaakt. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
Vervolgens heeft mr. Kok voornoemd namens eiser beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Voorts heeft verweerder schriftelijk aan (de gemachtigde van) eiser meegedeeld dat de gestelde begunstigingstermijn wordt verlengd tot zes weken na de uitspraak van de rechtbank.
Het beroep is behandeld ter zitting van 6 december 2002. Namens eiser zijn verschenen mr. Kok voornoemd en mr. M. Kuiper, advocaat te Harderwijk, terwijl verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. D.J. Westhoven en B.G. van der Heiden, ambtenaren der gemeente. Ter zitting zijn zeven door mr. Kok opgeroepen getuigen gehoord.
3. Motivering
Ter beoordeling staat in dit geding of verweerder het dwangsombesluit van 6 juni 2001 bij het thans bestreden besluit in stand heeft mogen laten.
Ingevolge het geldende bestemmingsplan "De Strokel 1973" heeft het terrein waarop het recreatieverblijf is gelegen de bestemming "Kampeercentrum". Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de bij het bestemmingsplan behorende voorschriften zijn gronden met de bestemming "Kampeercentrum" bestemd voor de exploitatie van recreatiebedrijven, waar personen, die hun vaste verblijfplaats elders hebben, recreatief verblijf kunnen houden in een recreatiewoonverblijf of in mobiele kampeermiddelen.
Ingevolge artikel 1, onder o, dient onder een recreatiewoonverblijf te worden verstaan: een gebouw, bestemd om uitsluitend door een gezin of een daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat/die zijn hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar, overwegend het zomerseizoen, te worden bewoond.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden gronden en opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze die in strijd is met de uit het bestemmingsplan voortvloeiende bestemming van die gronden en opstallen.
Op 18 april 1996 is door de raad van verweerders gemeente een herziening van onder meer het bestemmingsplan "De Strokel 1973" vastgesteld, welke herziening op 23 oktober 1996 van kracht is geworden. Deze bestemmingsplanherziening bevat niet alleen (ruimere) bebouwingsvoorschriften, maar ook een specifiek op het gebruik betrekking hebbend voorschrift (onder i) voor recreatieverblijven.
Genoemd voorschrift luidt: "Het is verboden een recreatiewoonverblijf anders dan voor recreatieve doeleinden te gebruiken; overtreding van deze bepaling is een strafbaar feit als bedoeld in artikel 59 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening."
De rechtbank stelt voorop dat eiser niet kan worden gevolgd in zijn betoog dat deze bestemmingsplanregeling buiten toepassing dient te worden gelaten wegens strijd met artikel 1 van Pro het eerste protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. In zoverre de in het bestemmingsplan neergelegde beperkingen al zijn aan te merken als aantasting van het recht op ongestoord genot van het eigendom, laat de bedoelde bepaling de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van het eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang onverlet. De voormelde bestemmingsregeling is een zodanige toepassing.
Voor zover eiser heeft beoogd zich te beroepen op het in het EG-Verdrag neergelegde rechtstreeks werkende discriminatieverbod betreffende het vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal, faalt dit beroep reeds omdat het niet door eiser als Nederlands onderdaan die in Nederland woonachtig is ten overstaan van de Nederlandse nationale rechter kan worden gedaan. In hetgeen namens eiser is aangevoerd heeft de rechtbank ook overigens geen aanknopingspunten gevonden om te oordelen dat sprake is van schending van het genoemde discriminatieverbod.
Het beroep op artikel 25 van Pro de Universele verklaring van de Rechten van de Mens en artikel 11 van Pro het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten kan evenmin slagen, nu een burger daaraan geen aanspraken kan ontlenen.
Niet in geschil is dat eiser sedert 23 mei 1977 ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres,woonp[plaats] en dat hij nimmer ingeschreven heeft gestaan op het adres van zijn recreatieverblijf aan de [adres] [nr.]] Verweerder stelt zich niettemin op het standpunt dat eiser zijn hoofdverblijf heeft op laatstgenoemd adres en heeft er ter onderbouwing van dit standpunt onder meer op gewezen dat het adres in [plaats] het ouderlijk huis van eiser betreft en dat het niet aannemelijk is dat iemand van 31 jaar oud nog bij zijn ouders woont, terwijl hij over een zeer dicht bij zijn ouderlijk huis gelegen recreatiewoning beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door verweerder genoemde omstandigheden, alsmede de bevindingen van het door verweerder ingeschakelde onderzoeksbureau MB-All, evenwel zowel op zichzelf, als in onderling verband beschouwd, onvoldoende om verweerders oordeel, dat eiser zijn hoofdverblijf heeft in het recreatieverblijf aan de [adres] [nr.], te dragen.
Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering als vereist op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep van eiser is dan ook gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.
In het kader van de te nemen nieuwe beslissing op bezwaar zal verweerder ofwel zijn oordeel dat eiser ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had in het recreatieverblijf aan de [adres] [nr.] alsnog deugdelijk moeten motiveren, ofwel het besluit in primo van 6 juni 2001 moeten herroepen.
In het vorenoverwogene wordt aanleiding gezien om het ten aanzien van eiser genomen besluit in primo met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te schorsen tot zes weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op het bezwaarschrift van eiser.
Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.
Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden aan eiser twee punten toegekend met een wegingsfactor 1. Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.
4. Beslissing
De rechtbank,
recht doende:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- schorst het in rubriek 2 genoemde besluit in primo tot zes weken na bekendmaking van de nieuwe beslissing op het bezwaarschrift van eiser;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ter zake van verleende rechtsbijstand tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Harderwijk;
- gelast dat de gemeente Harderwijk het betaalde griffierecht van € 109,-- aan eiser vergoedt.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.
Aldus gegeven door mr. H.R. Borgerhoff Mulder, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.