ECLI:NL:RBZUT:2003:AH9200

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
2 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
54743 FA RK 03 959
Instantie
Rechtbank Zutphen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:251 BWArt. 1:253o BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging eenhoofdig ouderlijk gezag naar vader op verzoek minderjarige

De minderjarige verzocht de rechtbank om het eenhoofdig ouderlijk gezag over hem toe te kennen aan zijn vader, vanwege ernstige problemen met zijn moeder die hem uit huis had gezet. Sinds medio april 2003 verblijft de minderjarige bij zijn vader en wil hij daar blijven wonen.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek van de minderjarige ontvankelijk is, ondanks dat het niet tijdens de echtscheidingsprocedure is gedaan, omdat artikel 1:251a BW een informele procedure biedt voor minderjarigen om over gezagsbeslissingen te laten oordelen. De vader had geen bezwaar tegen de wijziging en de moeder was niet verschenen, waardoor het verzoek onweerlegd bleef.

De rechtbank vond dat de gewijzigde woonomstandigheden een wijziging van het eenhoofdig gezag rechtvaardigen en besloot het gezag over de minderjarige toe te wijzen aan de vader. De beschikking werd uitgesproken op 2 juli 2003 door mr. R. Krijger.

Uitkomst: Het eenhoofdig gezag over de minderjarige wordt gewijzigd van de moeder naar de vader.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Zesde enkelvoudige kamer
Beschikking: 2 juli 2003
Zaaknummer: 54743 FA RK 03 959
Beschikking in de zaak van:
[[naam],
verder te noemen de minderjarige,
wonende te [woonplaats], gemeente [naam[woonplaats]
feitelijk verblijvende te [adres, plaats]
en
[mevrouw A ],
verder te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] [adres]
en
[heer B],
verder te noemen de vader,
wonende te [woonplaats] [adres]
Het verloop van de procedure
Dit verloop blijkt uit:
- de brief van de minderjarige van 25 mei 2003;
- het proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting op 18 juni 2003.
De vaststaande feiten
Krachtens de beschikking van deze rechtbank van 3 februari 1994 is de moeder belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige:
[naam], geboren op [geboortedatum,geboorteplaats]
Het verzoek
De minderjarige verzoekt dat de rechtbank zal bepalen dat de vader alleen het gezag over hem zal uitoefenen. Hij voert daartoe aan dat er ernstige problemen tussen hem en zijn moeder zijn ontstaan. De moeder heeft hem uit huis gezet en sindsdien woont hij bij zijn vader. De minderjarige wil een wijziging van het gezag om te voorkomen dat in de toekomst nog meer problemen ontstaan.
Het standpunt van de vader
De vader concludeert tot toewijzing van het verzoek van de minderjarige.
Het advies
De Raad voor de Kinderbescherming adviseert het verzoek toe te wijzen, nu de moeder niet ter terechtzitting is verschenen.
De beoordeling
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de minderjarige in zijn verzoek
De rechtbank zal voornoemde brief van de minderjarige beschouwen als een verzoek in de zin van artikel 1:251a BW en gelet daarop ambtshalve een beslissing geven op voet van artikel 1:251 lid 2 BW Pro. Artikel 1:251a BW geeft aan minderjarigen een zelfstandige rechtsingang inzake gezagsbeslissingen. Gelet op de tekst van artikel 1:251 lid 3 BW Pro zou een beslissing op voet van artikel 1:251a BW slechts gegeven kunnen worden bij de echtscheidingsbeschikking. Nu het onderhavige verzoek is gedaan geruime tijd na de echtscheidingsbeschikking, zou de conclusie getrokken kunnen worden dat de minderjarige niet ontvankelijk is in zijn verzoek.
De rechtbank is van oordeel dat, nu het in artikel 1:251a BW gaat om een informele procedure, een ruime uitleg op zijn plaats is. De minderjarige moet gelet daarop, ondanks het feit dat zijn verzoek niet tijdens de echtscheidingsprocedure is gedaan, wel ontvankelijk worden geacht in zijn verzoek. Daarbij is het zo dat de tekst van artikel 1:251a BW niet rechtstreeks naar (de beperking van) het derde lid van artikel 1:251 BW Pro verwijst.
Voorts vloeit strikt genomen uit de tekst van artikel 1:251 BW Pro voort dat een verzoek op grond van artikel 1:251a BW zich beperkt tot de situatie waarin sprake is van een gezamenlijk ouderlijk gezag. In casu is sprake van een eenhoofdig gezag van de moeder, terwijl de minderjarige verzoekt het eenhoofdig gezag aan de vader toe te kennen. Dit is een wijzigingsverzoek als bedoeld in artikel 1:253o BW. De rechtbank is van oordeel dat ook in dit geval een ruime uitleg op zijn plaats is. Zij ziet niet in waarom een verzoek ex artikel 1:251a BW slechts zou worden ingediend ingeval van een gezamenlijk ouderlijk gezag. Een dergelijke formele opstelling strookt niet met de informele weg die de wet de minderjarige biedt om de rechter te laten oordelen over het gezag.
Daarbij is het zo dat de vader ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij geen bezwaar heeft tegen een gezagswijziging en is de moeder, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen. De minderjarige thans in zijn verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, om vervolgens op een eensluidend verzoek van de vader te moeten beslissen, ligt ook om proceseconomische redenen minder voor de hand.
De rechtbank verklaart de minderjarige ontvankelijk in zijn verzoek en overweegt daarbij dat de minderjarige de leeftijd van zestien jaren heeft bereikt en dat hij daarmee in staat kan worden geacht zijn wensen kenbaar te maken.
Ten aanzien van het verzoek
De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.
Het verzoek van de minderjarige is daarmee onweersproken gebleven.
Vast is komen te staan dat de minderjarige sinds medio 14 april 2003 bij de vader verblijft. In voornoemde brief heeft de minderjarige aangegeven daar in de toekomst te willen blijven wonen. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een wijziging van omstandigheden op die een wijziging van het eenoudergezag van de moeder in een wijziging van het eenoudergezag naar de vader rechtvaardigt.
De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 3 februari 1994 voor wat betreft de uitoefening van het gezag over de minderjarige:
[naam], geboren op [datum,plaats]
en bepaalt dat het gezag over deze minderjarige voortaan aan de vader toekomt.
Deze beschikking is gegeven door mr. R. Krijger en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 juli 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.
conc.: mahh
coll.:
De griffier deelt mede dat:
van vorenstaande beschikking hoger beroep open staat bij het Gerechtshof te Arnhem:
-voor verzoeker en de verschenen belanghebbenden binnen drie maanden na de dagtekening van deze beschikking;
-voor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze hun bekend is geworden;
dit beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat/procureur.