ECLI:NL:RBZUT:2003:AN7193
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Harreveld
- De Bie
- Van Lochem
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel met korting wegens overschrijding redelijke termijn
De rechtbank Zutphen behandelde de ontnemingsvordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht tegen veroordeelde, waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op basis van een berekening over de jaren 1994-1999. Veroordeelde betwistte de berekeningsmethode en het resultaat, maar de rechtbank oordeelde dat de berekening verantwoord was en schatte het voordeel op €192.856,59.
De rechtbank constateerde dat de redelijke termijn voor berechting van de ontnemingsvordering duidelijk was overschreden, maar dat dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid; in plaats daarvan werd een compensatie van 10% op het ontnemingsbedrag toegepast. Veroordeelde verzocht tevens om matiging wegens waardedaling van in beslag genomen effecten en rechtsongelijkheid ten opzichte van medeverdachten die lagere transacties sloten.
De rechtbank oordeelde dat waardedaling niet in deze ontnemingsprocedure kon worden beoordeeld, maar pas in de executiefase, en dat de verschillen in strafrechtelijke afdoening door het OM marginaal toetsbaar zijn. Wel werd het ontnemingsbedrag verlaagd met €25.000 vanwege de aard en omvang van de verschillen met medeverdachten.
De rechtbank legde veroordeelde op om €148.570,93 te betalen aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Bij niet-betaling kan lijfsdwang worden toegepast. De strafzaak betrof deelneming aan een criminele organisatie en medeplegen van overtredingen van de Opiumwet, waarvoor veroordeelde een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan 7 voorwaardelijk, kreeg opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank legt een ontnemingsverplichting van €148.570,93 op met een korting wegens overschrijding van de redelijke termijn en wijst compensatie wegens waardedaling af.