ECLI:NL:RBZUT:2004:AO5877
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vernietiging vaststellingsovereenkomst wegens gebrek aan belang ondanks onjuiste voorstelling van zaken
De zaak betreft een geschil over de vernietiging van een vaststellingsovereenkomst tussen eiser en de verzekeraar ZA, waarbij eiser stelde dat de overeenkomst onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken was gesloten. De onjuiste voorstelling betrof de resterende verdiencapaciteit van eiser, mede vanwege zijn exploitatie van een viswinkel.
De rechtbank oordeelde dat hoewel er sprake was van een onjuiste voorstelling van zaken, dit niet had geleid tot een nadeel voor ZA omdat de exploitatie van de viswinkel geen duurzaam en positief effect had op het verdienvermogen van eiser. De rechtbank concludeerde dat eiser geen belang meer had bij vernietiging van de overeenkomst.
Verder werd overwogen dat het beroep op wijziging van de overeenkomst op grond van artikel 6:230 lid 2 BW Pro niet slaagde omdat er geen nadeel voor ZA was komen vast te staan. Ook het standpunt van eiser dat hij zonder ongeval zowel in het hotel als in de viswinkel winst zou hebben gemaakt, werd niet aannemelijk geacht.
De rechtbank veroordeelde ZA tot betaling van een bedrag op grond van een voorbehoud in de vaststellingsovereenkomst en wees het overige af. De proceskosten werden verdeeld, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt in reconventie.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst af en veroordeelt ZA tot betaling van EUR 45.378,02 met rente.