ECLI:NL:RBZUT:2004:AP7120
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C.M. Boon
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor mishandeling en schadevergoeding na vechtpartij
In deze civiele procedure vorderen eisers schadevergoeding wegens mishandeling door gedaagden, waarbij eiser1 reeds een schadevergoeding heeft gekregen in de strafzaak tegen een van de gedaagden. De rechtbank verklaart eiser1 niet-ontvankelijk omdat zij geen aanvullende schadeposten heeft gesteld, maar beoordeelt wel de vordering van eiser2 inhoudelijk.
De rechtbank stelt vast dat gedaagde2 en de minderjarige dochter van gedaagde3 eiser1 hebben geslagen en/of geschopt, en dat gedaagde1 verbaal en fysiek agressief heeft gehandeld. Er is sprake van gedragingen in groepsverband, waardoor alle drie hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 6:166 lid 1 BW Pro.
Het verweer van noodweer wordt verworpen omdat de gedragingen van gedaagden disproportioneel waren en niet gerechtvaardigd. De rechtbank wijst de vordering tot smartengeld van eiser2 toe voor het opgelopen letsel en psychische gevolgen, maar wijst omzetverlies en buitengerechtelijke kosten af wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank verwerpt het beroep op eigen schuld omdat de gedragingen van eisers niet als oorzaak van de schade worden gezien. Gedaagde3 wordt niet persoonlijk aansprakelijk gehouden, maar wel als wettelijk vertegenwoordiger van haar dochter. De proceskosten worden verdeeld waarbij eiser1 wordt veroordeeld in de kosten tegen haar vordering en gedaagden in de kosten tegen eiser2.
Uitkomst: Gedaagde partijen worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 907,56 smartengeld aan eiser2 met wettelijke rente; eiser1 wordt niet-ontvankelijk verklaard.