ECLI:NL:RBZUT:2005:AT9822
Rechtbank Zutphen
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Voorlopige hoofdverblijfplaats en omgangsregeling minderjarige kinderen na beëindiging geregistreerd partnerschap
De rechtbank Zutphen behandelde een kort geding tussen twee moeders die gezamenlijk het gezag uitoefenen over drie minderjarige kinderen. Na het beëindigen van hun geregistreerd partnerschap ontstond onenigheid over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de omgangsregeling. De kinderen verbleven feitelijk sinds maart 2005 bij hun biologische vaders, waar zij een stabiele en bekende omgeving hadden.
Moeder A vorderde dat de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij haar zou worden vastgesteld in de voormalige gemeenschappelijke woning, met een omgangsregeling ten gunste van haar. De rechtbank oordeelde dat handhaving van de feitelijke situatie, waarbij de kinderen bij hun vaders verblijven, het meest in het belang van de kinderen is, mede vanwege de spanningen tussen de betrokken volwassenen en de tijdelijke onhoudbaarheid van de woonsituatie bij de vaders.
De rechtbank stelde een omgangsregeling vast waarbij de kinderen om de veertien dagen en tijdens een weekend per drie weken bij moeder A verblijven, evenals twee weken in de zomervakantie. De vordering van moeder B om het uitsluitend gebruik van de woning toe te kennen werd afgewezen. De kosten van de procedure werden gecompenseerd, waarbij iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: De hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen blijft voorlopig bij hun biologische vaders en er wordt een omgangsregeling vastgesteld ten gunste van moeder A.