ECLI:NL:RBZUT:2005:AU6996
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzekeraar mag beroep doen op nietigheid polis wegens verzwijging strafrechtelijk verleden
Eiser, een taxichauffeur met een eenmanszaak, sloot een verzekeringsovereenkomst bij Achmea voor zijn personenauto. Bij de aanvraag werd gevraagd naar aanraking met politie of justitie wegens verdenking van een misdrijf, welke vraag eiser ontkennend beantwoordde. Later bleek dat eiser ongeveer vier jaar voor het afsluiten van de polis was veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Achmea ontdekte de verzwijging en beriep zich op artikel 251 van Pro het Wetboek van Koophandel, dat nietigheid van de polis mogelijk maakt bij onjuiste opgave van feiten. Eiser voerde aan dat hij niet uitdrukkelijk naar zijn strafrechtelijk verleden was gevraagd, dat hij geen opzet had tot misleiding en dat het niet melden van het strafrechtelijk verleden geen relevantie had voor het verzekeringsrisico.
De rechtbank oordeelde dat de vraag naar strafrechtelijk verleden duidelijk was en eiser had moeten begrijpen dat hij deze niet met 'nee' kon beantwoorden. Het ontbreken van causaliteit tussen de verzwijging en het verzekerde risico is niet vereist voor een beroep op artikel 251 WvK Pro. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid en op de toekomstige wetswijziging faalde. De polis wordt vernietigd en de vorderingen van eiser afgewezen.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en op 23 november 2005 uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiser af en verklaart de verzekeringsovereenkomst nietig wegens verzwijging van het strafrechtelijk verleden.