ECLI:NL:RBZUT:2005:AU9206
Rechtbank Zutphen
- Raadkamer
- Van Harreveld
- Lagarde
- Feunekes
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek om vergoeding voorlopige hechtenis na vrijspraak en maatregel
Verzoeker was in voorlopige hechtenis geplaatst van 4 mei 2004 tot 30 juni 2005 wegens meerdere strafbare feiten, waaronder moord en poging tot doodslag. Uiteindelijk werd hij vrijgesproken van het moordfeit en ontslagen van alle rechtsvervolging voor de andere feiten wegens volledige ontoerekeningsvatbaarheid, met oplegging van een maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.
Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 89 Wetboek Pro van Strafvordering tot vergoeding van immateriële schade door de voorlopige hechtenis, begroot op €42.200. De rechtbank oordeelde dat het verzoek niet-ontvankelijk was omdat de maatregel was opgelegd voor feiten waarvoor voorlopige hechtenis was toegelaten, en de term “zaak” in artikel 89 WvSv Pro volgens de Hoge Raad een formele betekenis heeft die geen splitsing van de strafzaak toelaat.
De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd bepaald dat de term “zaak” alle strafbare feiten omvat waarop het rechtsgeding betrekking heeft, ook als er geen zakelijk verband tussen die feiten is. De rechtbank concludeerde dat verzoeker geen gerechtvaardigde verwachting kon hebben dat hij niet meer vervolgd zou worden voor de andere feiten en dat de cumulatieve vervolging terecht was.
De rechtbank wees ook op de complexiteit en duur van het onderzoek, mede veroorzaakt doordat verzoeker zijn bekentenissen introk. De raadkamer verklaarde het verzoek tot vergoeding derhalve niet-ontvankelijk en verwierp de door verzoeker aangevoerde billijkheidsargumenten.
Uitkomst: Verzoek om vergoeding voorlopige hechtenis wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege formele betekenis van de term 'zaak' en opgelegde maatregel.