ECLI:NL:RBZUT:2006:AX7709

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
19 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05/1713 AWBZ
Instantie
Rechtbank Zutphen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K. van Duyvendijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 AWBZArt. 2 BZAArt. 3 BZAArt. 1 BZA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling indicatie huishoudelijke verzorging en gebruikelijk zorg binnen leefeenheid

Eiseres, een 69-jarige vrouw met medische beperkingen, werd door verweerder geïndiceerd voor huishoudelijke verzorging klasse 3 met een geleidelijke afbouwregeling. Verweerder hield bij de indicatie rekening met het feit dat haar meerderjarige zoon, ondanks astmatische bronchitis, een deel van de huishoudelijke taken zou kunnen overnemen.

Eiseres voerde aan dat het onredelijk is om een volwassen huisgenoot verantwoordelijk te houden voor huishoudelijke taken, ongeacht diens persoonlijke omstandigheden, en dat het beleid in het Protocol Gebruikelijk Zorg daarom onverbindend is. Subsidiair stelde zij dat haar zoon om medische redenen niet in staat zou zijn om deze taken uit te voeren.

De rechtbank oordeelde dat het protocol een ruimer begrip van leefeenheid hanteert dan de wettelijke definitie, maar dat dit beleidsmatig is toegestaan binnen de beslissingsruimte van het bestuursorgaan. Het medisch advies van een GGD-arts, ondersteund door longartsinformatie, gaf geen aanleiding tot twijfel over de inzetbaarheid van de zoon. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het indicatiebesluit huishoudelijke verzorging werd ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken
Reg.nr.: 05/1713 AWBZ
UITSPRAAK
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats[, eiseres,
en
het bestuur van de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (Regiobureau Zwolle),
verweerder.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 13 oktober 2005, kenmerk: JW/03-000731.
2. Procesverloop
Op 22 november 2004 heeft eiseres een aanvraag ingediend voor verlenging van de indicatie voor huishoudelijke verzorging in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
Bij besluit van 13 januari 2005 heeft verweerder eiseres in aanmerking gebracht voor een indicatie voor huishoudelijke verzorging klasse 3 met een geleidelijke afbouw, in die zin dat vanaf 17 januari 2005 gedurende drie maanden driemaal per twee weken huishoudelijke hulp wordt geïndiceerd en daarna gedurende zes maanden eenmaal per week, met de aantekening dat na totaal negen maanden de situatie opnieuw dient te worden beoordeeld.
De geldigheid van dit indicatiebesluit loopt tot 17 oktober 2005.
Tegen dit besluit is bij brief van 19 januari 2005 namens eiseres door P.J. Reeser, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, bezwaar gemaakt.
Bij het in rubriek 1 genoemde besluit van 13 oktober 2005 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
Namens eiseres heeft P.J. Reeser voornoemd bij brief van 17 oktober 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van dezelfde datum is verzocht om een voorlopige voorziening.
Dit verzoek (reg.nr. 05/1712 AWBZ) is behandeld ter zitting van 5 januari 2006. Vervolgens is het onderzoek in die procedure heropend, waarna verweerder zijn standpunt schriftelijk nader heeft uiteengezet met indiening van nadere stukken.
Partijen hebben daarna toestemming gegeven een behandeling ter zitting van het beroep achterwege te laten. Het onderzoek is vervolgens gesloten.
3. Motivering
3.1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AWBZ hebben de verzekerden aanspraak op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Tot deze zorg behoren onder meer voorzieningen strekkende tot verbetering van levensomstandigheden, alsmede maatschappelijke dienstverlening.
Op grond van artikel 2, eerste lid, aanhef en sub a, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ (hierna: BZA) heeft de verzekerde onder meer aanspraak op huishoudelijke verzorging als omschreven in artikel 3.
Ingevolge artikel 2, tweede (voorheen derde) lid, van het BZA bestaat de aanspraak op zorg slechts voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen.
Ingevolge artikel 3 van Pro het BZA omvat huishoudelijke verzorging het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van het verzorgen van het huishouden in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem die of dat leidt of dreigt te leiden tot het disfunctioneren van de verzorging van het huishouden van de verzekerde dan wel van de leefeenheid waartoe de verzekerde behoort, te verlenen door een instelling.
Ingevolge artikel 1, onder b, van het BZA wordt in dit besluit verstaan onder leefeenheid: een eenheid bestaande uit gehuwde verzekerden die al dan niet tezamen met een of meer ongehuwde minderjarige verzekerden duurzaam een huishouden voeren dan wel uit een meerderjarige ongehuwde verzekerden die met een of meer ongehuwde minderjarige verzekerden duurzaam een huishouden voert.
3.2. Niet in geschil is dat eiseres, thans 69 jaar oud, als gevolg van een aantal medische aandoeningen slechts zeer beperkt huishoudelijke werkzaamheden kan verrichten. Eiseres woont samen met haar echtgenoot en haar 25-jarige zoon [zoon], die in Utrecht studeert.
Verweerder heeft bij de hier in geding zijnde indicatiestelling mede in aanmerking genomen dat een deel van de huishoudelijke taken door genoemde zoon van eiseres kunnen worden overgenomen. Verweerder heeft daarbij toepassing gegeven aan het beleid als neergelegd in het door hem vastgestelde Protocol Gebruikelijk Zorg. Volgens dit protocol blijft de leefeenheid van waaruit een beroep op de AWBZ wordt gedaan, primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden en wordt van huisgenoten verwacht dat zij bij uitval van een van de leden van de leefeenheid streven naar een herverdeling van huishoudelijke taken.
3.3. In het beroepschrift is namens eiseres primair aangevoerd dat het niet redelijk is om een volwassen huisgenoot verantwoordelijk te houden voor het plaatsvervangend uitvoeren van de noodzakelijke huishoudelijke taken, ongeacht diens persoonlijke omstandigheden, en dat het desbetreffende onderdeel van het protocol daarom "onverbindend" is.
3.3.1. De rechtbank merkt hieromtrent allereerst op dat in het Protocol Gebruikelijk Zorg (hierna: het protocol) onder het begrip "leefeenheid" worden begrepen alle bewoners op één adres die samen een duurzaam huishouden voeren. Daartoe worden ook gerekend gehuwde verzekerden die met een of meer meerderjarige kinderen een huishouding voeren.
In het protocol wordt aldus een begrip leefeenheid gehanteerd dat ruimer is dan het begrip leefeenheid zoals gedefinieerd in artikel 1, onder b, van het BZA.
De rechtbank acht dit beleid niet in strijd met de wettelijke regeling, aangezien de definitie van het begrip leefeenheid in artikel 1 van Pro het BZA slechts bindend is voor zover het de uitleg van wettelijke bepalingen betreft waarin dat begrip wordt gehanteerd, zoals artikel 3 van Pro het BZA, waarin het gaat om het disfunctioneren van de leefeenheid. In het protocol wordt het begrip leefeenheid gebruikt in een ander verband, namelijk voor de beoordeling of een verzekerde, gezien zijn feitelijke leefsituatie, is aangewezen op AWBZ-zorg. Het protocol biedt een afwegingskader met betrekking tot de beslissingsruimte van artikel 2, tweede lid, van het BZA, inhoudende dat de aanspraak op zorg slechts bestaat voor zover de verzekerde, gelet op zijn behoefte en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening, redelijkerwijs daarop is aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank staat het verweerder vrij om de beslissingsruimte van deze bepaling beleidsmatig in te vullen met een afwegingskader waarin een ruimer begrip leefeenheid wordt gehanteerd dan in de wettelijke definitie.
3.3.2. Ook overigens acht de rechtbank het niet onaanvaardbaar dat huisgenoten, zoals meerderjarige inwonende kinderen, worden betrokken bij de beoordeling of binnen het desbetreffende huishouden ("leefeenheid" als bedoeld in het protocol) gebruikelijke zorg op huishoudelijk terrein aanwezig is. Dat volgens het protocol met betrekking tot de inzet van huisgenoten in het huishouden geen onderscheid wordt gemaakt naar persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin onaanvaardbaar.
Blijkens het bestreden besluit is ten aanzien van de mogelijke inzet van de zoon van eiseres conform het protocol rekening gehouden met een 40-urige werkweek en twee uur reistijd per dag. Voor zover meer uren worden gewerkt of besteed aan andere activiteiten, waardoor geen huishoudelijke taken uitgevoerd kunnen worden, wordt men zelf verantwoordelijk geacht voor het zoeken naar een oplossing voor de huishoudelijke taken. Dit uitgangspunt acht de rechtbank evenmin onaanvaardbaar of onredelijk.
Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat het in het protocol neergelegde beleid met betrekking tot het overnemen van huishoudelijke taken door huisgenoten van de zorgbehoeftige verzekerde niet binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling blijft.
3.4. Subsidiair is namens eiseres aangevoerd dat haar zoon om medische redenen niet in staat is tot het uitvoeren van het merendeel van de huishoudelijke taken en dat het bestreden besluit daarmee op een ondeugdelijke medische grondslag berust.
3.4.1. Blijkens het bestreden besluit is verweerder ervan uitgegaan dat de zoon van eiseres bepaalde schoonmaaktaken kan verrichten en dat de bij hem bestaande astmatische bronchitis daaraan niet in de weg staat, aangezien deze aandoening slechts beperkt van invloed is op zijn functioneren. Dit standpunt is gebaseerd op een geneeskundig advies van H.J.P.M. Jansen, arts bij de GGD, die de zoon van eiseres op 6 juni 2005 heeft gezien en de beschikbare medische informatie heeft bestudeerd, en een aanvullend advies van deze arts van 13 juli 2005.
3.4.2. Gelet op de inhoud van deze adviezen, alsmede de overige in het dossier aanwezige medische informatie - met name ook de informatie van de longarts prof.dr. Lammers –ziet de rechtbank geen grond voor twijfel aan het medisch oordeel van genoemde arts van de GGD omtrent de inzetbaarheid van de zoon van eiseres bij de schoonmaaktaken. Evenmin is gebleken dat het door deze arts verrichte onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest.
3.5. De in het beroepschrift aangevoerde grieven kunnen derhalve niet slagen. Ook hetgeen eiseres zelf nog ter zitting van de voorzieningenrechter naar voren heeft gebracht, biedt geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in rechte geen stand houdt.
In dit verband verdient overigens nog opmerking dat het bestreden besluit alleen ziet op de indicatie die geldig was tot 17 oktober 2005. Het besluit van 30 december 2005, waarin met ingang van 17 oktober 2005 een nieuwe indicatie is gesteld, vormt in dit geding geen onderwerp van geschil.
3.6. Het beroep is ongegrond. Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.
4. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2006
in tegenwoordigheid van de griffier.
Afschrift verzonden op: 23 mei 2006