ECLI:NL:RBZUT:2006:AX7806

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
9 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/460680-05
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • De Bie
  • Van Hoorn
  • Knoop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 Wetboek van StrafrechtArt. 27 Wetboek van StrafrechtArt. 47 lid 1 Wetboek van StrafrechtArt. 57 Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor handel in cocaïne na achttiende levensjaar

De rechtbank Zutphen heeft op 9 juni 2006 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die zich in de periode van 7 juli 2005 tot en met 6 december 2005 schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren, verkopen en verstrekken van cocaïne in de gemeente Apeldoorn. De tenlastelegging betrof meerdere feiten van handel in cocaïne, een middel dat valt onder lijst I van de Opiumwet.

De rechtbank achtte de verklaringen van vier getuigen betrouwbaar ondanks het verweer van verdachte dat deze niet als bewijs konden dienen. Twee getuigen bevestigden hun verklaringen bij de rechter-commissaris, terwijl een derde getuige zijn eerdere verklaring deels terugtrok maar niet met zekerheid kon uitsluiten dat hij van verdachte had gekocht. Op basis hiervan werd het ten laste gelegde bewezen verklaard.

Verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 184 dagen. De rechtbank nam hierbij de leeftijd van verdachte en de duur van de handel in cocaïne na zijn achttiende levensjaar in aanmerking. De straf was zwaarder dan door de officier van justitie geëist vanwege de ernst van het bewezenverklaarde en eerdere veroordelingen van verdachte. Tevens werd de voorlopige hechtenis in mindering gebracht op de straf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 184 dagen onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor handel in cocaïne.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Meervoudige kamer voor strafzaken
Parketnummer: 06/460680-05
Uitspraak d.d.: 9 juni 2006
tegenspraak / dip
VERKORT VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres en woonplaats],
thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te Zutphen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
2 juni 2006.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 juli 2005 tot en met
6 december 2005, in de gemeente Apeldoorn, (in de omgeving van het Opvang- en Adviescentrum aan het Sophiaplein en/of elders in Apeldoorn) tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, (telkens) opzettelijk heeft vervoerd en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt aan [getuige A] en/of [getuige B] en/of [getuige C ] en/of [getuige D] en/of een of meer ander(e) perso(o)n(en), in elk geval (telkens)
opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
art 2 ahf Pro/ond B Opiumwet
art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op tijdstippen in de periode van 7 juli 2005 tot en met 6 december 2005, in de gemeente Apeldoorn, (in de omgeving van het Opvang- en Adviescentrum aan het Sophiaplein en/of elders in Apeldoorn), telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd aan [getuige A] en
[getuige B] en [getuige C ] en [getuige D] hoeveelheden van een materiaal
bevattende cocaïne, zijnde cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij
de Opiumwet behorende lijst I.
Bewijsoverweging
De rechtbank verwerpt het namens verdachte gevoerde verweer – kort samengevat – dat hij dient te worden vrijgesproken, omdat de getuigenverklaringen in het dossier niet betrouwbaar zijn en mitsdien niet als bewijsmiddel kunnen worden meegenomen. De rechtbank acht de door de vier getuigen [getuige A], [getuige B], [getuige C ] en [getuige D] bij de politie afgelegde verklaringen betrouwbaar, nu de inhoud van deze tegenover de politie afgelegde verklaringen op een groot aantal punten met elkaar overeenstemmen. Daarnaast bevestigen de getuigen [getuige A] en [getuige B] hun verklaring bij de rechter-commissaris. Ofschoon getuige [getuige C] bij de rechter-commissaris verklaart dat hij bij de politie in strijd met de waarheid heeft verklaard en thans stelt niet bij verdachte zijn cocaïne te hebben gekocht, heeft deze getuige na het ondertekenen van zijn afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris gezegd dat hij niet zeker wist of hij van verdachte had gekocht.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verklaringen van de getuigen zoals afgelegd bij de politie als bewijs bezigen.
Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
Kwalificatie van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op het misdrijf:
Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die zijn strafbaarheid uitsluit.
Oplegging van straf en/of maatregel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).
Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend. De rechtbank heeft hierbij met name in aanmerking genomen de leeftijd van verdachte en de omstandigheid dat hij zich, na het bereiken van de leeftijd van achttien jaren, tenminste gedurende enige maanden schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – handel in cocaïne. De rechtbank acht een zwaardere straf op zijn plaats dan door de officier van justitie is geëist, omdat in die eis de ernst van het bewezenverklaarde, mede gelet op het heden ten laste van een gewezen vonnis in de zaak met parketnummer 850410-06, onvoldoende tot uitdrukking komt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 57, 63 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en 2 en 10 van de Opiumwet.
BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt.
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 184 (honderdvierentachtig) dagen.
Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door mr. De Bie, voorzitter, mrs. Van Hoorn en Knoop, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2006.