ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ1335

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
1 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/920021-05
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Borgerhoff Mulder
  • Van Hoorn
  • Hemrica
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 27 Sr
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit van grote partijen illegaal consumentenvuurwerk

De rechtbank Zutphen heeft verdachte veroordeeld voor het op twee verschillende locaties in bezit hebben van grote partijen consumentenvuurwerk dat niet voldeed aan de wettelijke eisen. Op 6 december 2005 werd in Hattemerbroek een partij vuurwerk aangetroffen zonder de vereiste aanduiding en gebruiksaanwijzing, en op 7 december 2005 in Wier een vergelijkbare partij.

De rechtbank stelde vast dat verdachte samen met anderen opzettelijk het vuurwerk voorhanden had, waarbij het vuurwerk niet voorzien was van de aanduiding "Geschikt voor particulier gebruik" en een gebruiksaanwijzing met voldoende waarschuwingen. Dit leverde overtredingen op van het Vuurwerkbesluit en de Wet milieugevaarlijke stoffen.

Bij de strafoplegging nam de rechtbank mee dat verdachte en mededaders grote hoeveelheden illegaal en krachtig vuurwerk voorhanden hadden met het oog op financieel gewin, en dat het gebruik van dergelijk vuurwerk ernstige risico's voor gebruikers en omstanders met zich meebrengt. Ook werd rekening gehouden met eerdere veroordelingen van verdachte voor vuurwerkdelicten.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast werd de tijd in voorlopige hechtenis in mindering gebracht en werd de teruggave van in beslag genomen documenten gelast.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, wegens bezit van grote partijen illegaal vuurwerk.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Economische kamer
Parketnummer(s): 06/920021-05
Uitspraak d.d.: 1 november 2006
Tegenspraak/ dip
VERKORT VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [geboortedatum],
wonende te [adres].
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 oktober 2006.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 06 december 2005, te Hattemerbroek, gemeente Oldebroek,
samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, al dan niet
opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten
314, althans een aantal flowerbeds,
176, althans een aantal Romeinse kaarsen,
15, althans een aantal vuurpijlen
en/of
36, althans een aantal Mortier en/of mortierbommen,
voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het
Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit
krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde
regels, immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:
a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";
b. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat
bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker
en/of omstanders kon ontstaan,
en/of
a. had (een deel van) voornoemd vuurwerk een zodanige constructie, was (een
deel van) voornoemd vuurwerk zodanig vervaardigd en/of verkeerde (een deel
van) voornoemd vuurwerk in een zodanige staat,
b. was (een deel van) voornoemd vuurwerk, wat aard, samenstelling en overige
eigenschappen van het materiaal betreft, zodanig, en
c. functioneerde (een deel van) voornoemd vuurwerk zodanig,
dat bij gebruik niet overeenkomstig de gebruiksaanwijzing van dat vuurwerk
letsel of schade kon ontstaan;
art 1.2.2 lid 1 ahf/ond a Vuurwerkbesluit
art 2.1.3 lid 1 Vuurwerkbesluit
2.
hij op of omstreeks 7 december 2005, te Wier, gemeente Menaldumadeel, samen
en in vereniging met anderen of een ander dan wel alleen, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten
3000, althans een aantal vuurpijlen,
540, althans een aantal mortieren
en/of
1724, althans een aantal flowerbeds, voorhanden heeft gehad, ten aanzien
waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de
ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de
Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers was voornoemd vuurwerk
niet voorzien van:
a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";
b. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat
bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker
en/of omstanders kon ontstaan,
en/of
a. had (een deel van) voornoemd vuurwerk een zodanige constructie, was (een
deel van) voornoemd vuurwerk zodanig vervaardigd en/of verkeerde (een deel
van) voornoemd vuurwerk in een zodanige staat,
b. was (een deel van) voornoemd vuurwerk, wat aard, samenstelling en overige
eigenschappen van het materiaal betreft, zodanig, en
c. functioneerde (een deel van) voornoemd vuurwerk zodanig,
dat bij gebruik niet overeenkomstig de gebruiksaanwijzing van dat vuurwerk
letsel of schade kon ontstaan
art 1.2.2 lid 1 ahf/ond a Vuurwerkbesluit
art 2.1.3 lid 1 Vuurwerkbesluit
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 6 december 2005, te Hattemerbroek, gemeente Oldebroek, samen en in vereniging met anderen, opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten:
314 flowerbeds, 176 Romeinse kaarsen, 15 vuurpijlen en 36 mortierbommen,
voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het
Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit
krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde
regels, immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:
a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";
b. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat
bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker
en/of omstanders kon ontstaan;
2.
hij omstreeks 7 december 2005, te Wier, gemeente Menaldumadeel, samen
en in vereniging met een ander, opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 3000 vuurpijlen, 540 mortieren en 1715 flowerbeds, voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers was voornoemd vuurwerk niet voorzien van:
a. de aanduiding: "Geschikt voor particulier gebruik";
b. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat
bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker
en/of omstanders kon ontstaan.
Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde
Wat meer of anders is ten las-te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op de misdrijven:
1 en 2 telkens:
medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 24, eerste lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen, opzettelijk begaan.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Oplegging van straf en/of maatregel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).
De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden – dat verdachte en zijn mededader(s) vanwege geldelijk gewin grote hoeveelheden illegaal en zeer krachtig vuurwerk voorhanden hebben gehad. Het is algemeen bekend dat het gebruik van zodanig vuurwerk zeer ernstige risico’s pleegt op te leveren. Die risico’s zijn er niet alleen voor degene die het vuurwerk afsteekt, maar ook voor niets vermoedende omstanders.
De rechtbank houdt er daarbij ook rekening mee dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is geweest en is veroordeeld terzake van vuurwerkdelicten.
Ad informandum gevoegde zaak
De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen het ter kennisneming gevoegde feit, bekend onder parketnummer 06/920021-05.
Verdachte heeft bekend dat feit te hebben begaan en de officier van justitie heeft toegezegd dat voor dat feit geen verdere strafvervolging zal volgen.
In beslag genomen voorwerpen
Nu er geen strafvorderlijk belang meer aanwezig is dat zich daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de in beslaggenomen documenten aan de veroordeelde.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen:
- 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;
- 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
- 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen;
- 1.2.2 en 2.1.3 van het Vuurwerkbesluit.
Beslissing
De rechtbank beslist als volgt.
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden.
Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 5 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Gelast de teruggave van de in beslaggenomen documenten aan veroordeelde.
Aldus gewezen door mrs. Borgerhoff Mulder, voorzitter, Van Hoorn en Hemrica, rechters,
in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van
1 november 2006.