ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ2293

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
14 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
76972 / KG ZA 06-72
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • G. Vrieze
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:109 BWArt. 3:118 lid 2 BWArt. 3:119 BWArt. 3:121 BWArt. 3:125 BW
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering omgang met hond na beëindiging samenwoning wegens onvoldoende eigendomsbewijs

Partijen hebben van 1991 tot 15 april 2005 samengewoond zonder samenlevingsovereenkomst. Tijdens de samenwoning hadden zij vier katten en twee honden, waaronder de hond in kwestie. Na beëindiging van de relatie behielden zij ieder twee katten, terwijl de honden bij de gedaagde achterbleven in de voormalige gezamenlijke woning.

De eiser vorderde dat de hond aan hem zou worden toegewezen of dat hij het recht zou krijgen de hond om de veertien dagen een weekend mee te nemen. De gedaagde voerde verweer en stelde eigenaar van de hond te zijn.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de gedaagde de hond sinds het einde van de relatie in bezit heeft en op grond van het Burgerlijk Wetboek als eigenaar wordt vermoed. De eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd voor gezamenlijk eigendom. De rechtbank verwierp de vordering en oordeelde dat het omgangsrecht zoals bij kinderen niet analoog kan worden toegepast op de hond. De eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot omgang met de hond wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijk eigendom.

Uitspraak

RECHTBANK Zutphen
Sector Civiel – Afdeling Handel
zaaknummer / rolnummer: 76972 / KG ZA 06-72
Vonnis in kort geding van 14 november 2006
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats],
eiser,
procureur mr. R.J.Th. Leijzer,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats],
gedaagde,
procureur mr. M.P.H. Sanders.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagde]
- de aanhouding ten behoeve van mediation.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Van 1991 tot 15 april 2005 hebben zij samengewoond. Partijen hebben geen samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.2. Ten tijde van de samenwoning hadden partijen 4 katten en 2 honden in huis, waaronder de hond [hond]. Na het einde van de relatie hebben partijen ieder 2 katten gehouden. De honden bleven bij [gedaagde] in de voormalige gezamenlijke woning achter.
3. Het geschil
3.1. [eiser] vordert - samengevat – na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de hond [hond] zal toedelen aan [eiser] en/of [gedaagde] zal gelasten de hond [hond] af te geven aan [eiser] binnen 2 dagen na betekening van dit vonnis, dan wel [eiser] het gedeeltelijk gebruik van de hond [hond] zal geven in die zin dat [eiser] de hond [hond] gedurende 1 weekend per 14 dagen van vrijdagavond tot zondagavond bij zich zal hebben, één en ander op straffe van een dwangsom van € 250,00, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom, voor elke dag of deel daarvan dat [gedaagde] niet aan de veroordeling voldoet, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.
3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. [gedaagde] houdt de hond [hond] (al sinds 15 april 2005) onder zich en wordt dus op grond van artikel 3:109 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vermoed de hond voor zichzelf te houden. [eiser] heeft zich niet beroepen op artikel 3:125 BW Pro. Dit bezit impliceert dat zij op grond van de artikelen 3:118 lid 2 en 3:119 BW wordt vermoed de rechthebbende en te goeder trouw te zijn, zodat zij op grond van artikel 3:121 BW Pro niet tot afgifte verplicht is, zolang [eiser] geen beter recht bewijst.
4.2. [eiser] stelt dat de hond [hond] gemeenschappelijke eigendom is van partijen. Dit heeft hij echter onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Dat [eiser] gedurende de samenleving geld op een gemeenschappelijke rekening heeft gestort, is hiervoor niet voldoende.
Voor zover [eiser] stelt dat partijen gezamenlijk deze hond hebben gekocht, heeft [gedaagde] dit voldoende gemotiveerd betwist door overlegging van een verklaring van de fokster van de hond (waarin staat dat [gedaagde] een bedrag van f 100,00 voor de hond heeft betaald) en dierenartsgegevens (waarin zij als eigenaar staat vermeld).
De omstandigheid dat de twee honden na de samenwoning bij [gedaagde] zijn gebleven (terwijl de twee katten wel zijn verdeeld), duidt erop dat [gedaagde] eigenaar is van de hond [hond]. Voor nadere bewijslevering is in deze procedure geen plaats.
4.3. Op grond van het vorenstaande wordt er in deze procedure van uitgegaan dat [gedaagde], als eigenaar, bij uitsluiting kan en mag bepalen wat er met de hond [hond] gebeurt. De vraag bij wie de hond beter af zou zijn en de gehechtheid van de hond aan [eiser] spelen daarbij geen rol. Er kan dan ook niet van uitgegaan worden dat het op kinderen toepasselijke omgangsrecht analoog kan worden toegepast in deze situatie. Dat sprake is van misbruik van eigendomsrecht is, voor zover al gesteld, niet aannemelijk geworden.
4.4. Op grond van het vorenstaande zullen de vorderingen worden afgewezen.
4.5. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- betaald vast recht EUR 248,00
- overige kosten
- salaris procureur 816,00
Totaal EUR 1.064,00
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. wijst de vorderingen af,
5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op EUR 1.064,00,
5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Vrieze en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2006.?