ECLI:NL:RBZUT:2007:BB1138
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Brouns
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs in zaak bedrijfsmatig aantrekken van gelden
De rechtbank Zutphen behandelde de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het bedrijfsmatig aantrekken van gelden van het publiek in de periode van december 2002 tot januari 2004 in Apeldoorn. De tenlastelegging betrof overtreding van artikel 82 lid 1 van Pro de Wet toezicht kredietwezen 1992. Tijdens de terechtzitting van 23 juli 2007 werd vastgesteld dat het bewijs niet overtuigend was en dat de gelden niet voldeden aan de definitie van "al dan niet op termijn opvorderbare gelden" zoals omschreven in de beleidsregel 2005.
De verdediging voerde aan dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens een onredelijk lange termijn tussen het verhoor in december 2004 en de terechtzitting in juli 2007. De rechtbank oordeelde dat hoewel de termijn van ruim 31 maanden langer was dan wenselijk, dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid omdat de termijn niet drie jaar of meer bedroeg. Wel zou dit tijdsverloop in een eventuele strafmaat worden betrokken.
Uiteindelijk oordeelde de economische politierechter dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat verdachte het tenlastegelegde had begaan. De gelden die verdachte onder zich had, voldeden niet aan de wettelijke definitie van op termijn opvorderbare gelden, waardoor verdachte werd vrijgesproken. Het vonnis werd uitgesproken op 6 augustus 2007 door mr. Brouns, economische politierechter.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor het tenlastegelegde bedrijfsmatig aantrekken van gelden.