ECLI:NL:RBZUT:2007:BB1140
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Brouns
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte in zaak bedrijfsmatig aantrekken van gelden publiek
Verdachte werd beschuldigd van het bedrijfsmatig aantrekken van al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek in de gemeente Apeldoorn gedurende de periode van december 2002 tot januari 2004, in strijd met artikel 82 lid 1 van Pro de Wet toezicht kredietwezen 1992. De tenlastelegging omvatte zowel een primair als subsidiair feit, waarbij verdachte al dan niet samen met anderen zou hebben gehandeld.
Tijdens het proces werd aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens schending van artikel 6 EVRM Pro, omdat er een onredelijk lange termijn van ruim 31 maanden zat tussen het verhoor van verdachte en de terechtzitting. De rechtbank oordeelde dat hoewel de termijnoverschrijding langer was dan wenselijk, dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid, maar wel in aanmerking zou worden genomen bij de strafmaat.
De rechtbank stelde vast dat de gelden die verdachte zou hebben aangetrokken niet voldeden aan de wettelijke definitie van “al dan niet op termijn opvorderbare gelden” zoals omschreven in de Beleidsregel 2005 bij de Wet toezicht kredietwezen 1992. Hierdoor was het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte werd daarom vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
Het vonnis werd uitgesproken door de economische politierechter Brouns op 6 augustus 2007, na behandeling van de zaak op 23 juli 2007. De rechtbank benadrukte dat verdachte volledig openheid van zaken had gegeven en dat het tijdsverloop niet aan zijn proceshouding te wijten was.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor het tenlastegelegde bedrijfsmatig aantrekken van gelden van het publiek.