RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/460173-07
Uitspraak d.d.: 27 mei 2008
tegenspraak/ oip
[verdachte B],
geboren te [plaats 1980],
wonende te [adres].
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 26 juni en 9 oktober 2007, 11 maart, 20 maart en 13 mei 2008.
2. Ter terechtzitting gegeven beslissingen
Ter terechtzitting van 26 juni 2007 heeft de rechtbank het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.
Ter terechtzitting van 9 oktober 2007 heeft de rechtbank het verzoek van de officier van justitie tot het horen van getuigen bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, toegewezen.
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 11 maart 2008 ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering is aangepast is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 14 maart 2007, te Apeldoorn, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Europaweg/Laan van Westenenk, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer B], welk geweld bestond uit het vastpakken en/of vasthouden van die [slachtoffer B] en/of uit stompen en/of slaan en/of schoppen en/of trappen tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer B];
art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht
hij op of omstreeks 14 maart 2007, te Apeldoorn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer B] heeft/hebben vastgepakt en/of vastgehouden en/of die [slachtoffer B] in/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben gestompt en/of geslagen en/of geschopt en/of getrapt, waardoor voornoemde [slachtoffer B] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
4. Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
5. De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan
5.1 Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie acht het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
5.2 Standpunt van de verdediging
Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat op basis van het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
De vindplaatsvermeldingen, voorkomend in de navolgende overwegingen ten aanzien van het bewijs, verwijzen onder meer naar de doorlopende paginanummering van het in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal en de daarbij behorende bijlagen, dossiernummer PL0620/07-204566, gesloten en ondertekend op 27 augustus 2007 door [verbalisant] en [verbalisant].
a) de verklaring van verdachte ter terechtzitting
b) proces-verbaal van ambtelijk verslag, d.d. 14 maart 2007 (p.1173 en 1177)
c) processen-verbaal van verhoor van het slachtoffer, [slachtoffer B], d.d. 15 maart 2007 (p. 1063, 1064 en 1100)
d) proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte A] d.d. 14 maart 2007 (p. 97 e.v.)
e) proces-verbaal van de bekennende verklaring van verdachte d.d. 18 juni 2007 (p. 202 e.v.)
f) proces-verbaal van getuige [getuige 1] d.d. 14 maart 2007 (p. 1188 en 1189).
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 14 maart 2007, te Apeldoorn op de openbare weg, de Europaweg/Laan van Westenenk, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer B], welk geweld bestond uit het vastpakken en vasthouden van die [slachtoffer B] en uit stompen tegen het hoofd van die [slachtoffer B].
7. Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op het misdrijf:
Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.
9. Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
10. Oplegging van straf en/of maatregel
10.1 De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 136 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Zij heeft de hoogte van haar eis enerzijds gebaseerd op haar overtuiging dat de openlijke geweldpleging verband houdt met een groter geheel en dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van onderdelen hiervan en hier zijn rol in heeft gespeeld. Anderzijds heeft zij in ogenschouw genomen het feit dat verdachte tijdens zijn voorarrest lange tijd in beperkingen heeft gezeten.
10.2 De raadsman van verdachte verzoekt de rechtbank verdachte een straf op te leggen maximaal gelijk aan de tijd dat hij in voorarrest heeft gezeten.
10.3 De rechtbank houdt – op basis van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting – ten nadele van verdachte rekening met de bijzondere omstandigheden waaronder verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte A] tegen [slachtoffer B] geweld hebben gebruikt.
Medeverdachte [medeverdachte A] heeft op 14 maart 2007 bij de politie verklaard (eindnoot 1) dat [verdachte B] hem, toen zij in de Peugeot naar de McDonalds in Apeldoorn waren gereden, een blauwe BMW aanwees en hem (medeverdachte) vertelde dat zijn ([verdachte B]’s) broer daarin zat bij een Turkse man. [verdachte B] vertelde medeverdachte [medeverdachte A] dat de Turkse man zijn ([verdachte B]’s) broer nog moest betalen. De rechtbank ziet geen aanleiding [medeverdachte A] niet te houden aan zijn aldus bij de politie op 14 maart 2007 afgelegde verklaring, nu [medeverdachte A]’s verklaring bij de rechter-commissaris van 8 februari 2008 als zou hij verzonnen hebben dat de Turkse man nog geld moest betalen aan de broer van verdachte niet geloofwaardig is, mede gelet op de eerdere - herhaaldelijke - verklaringen van [medeverdachte A] op dit punt.
Toen verdachte en medeverdachte [medeverdachte A] vervolgens achter de BMW aanreden, zag verdachte (eindnoot 2) dat het slachtoffer ‘raar ging doen’ en medeverdachte [medeverdachte A] zag dat het rechtervoorportier ineens open ging en dat het leek of de man (het slachtoffer) uit de auto wilde springen. Verdachte sprong vervolgens uit de Peugeot en rende naar de BMW, aldus medeverdachte [medeverdachte A]. [medeverdachte A] zag dat de Turkse man al buiten de auto stond, waarna een worsteling tussen de Turkse man en [verdachte B] ontstond.(eindnoot 3) Verdachte verklaart hierover (eindnoot 4) dat hij het slachtoffer heeft vastgepakt en medeverdachte [medeverdachte A] verklaart (eindnoot 5) dat hij naar hen is toegelopen en het slachtoffer een paar krachtige vuistslagen heeft gegeven.
Verder acht de rechtbank van belang dat verdachte heeft verklaard (eindnoot 6) dat hij dacht dat het ‘om geld’ ging en dat hij met medeverdachte naar Apeldoorn was gekomen als een soort van bescherming.
De rechtbank rekent het verdachte in het bijzonder aan, dat hij zonder enige aarzeling of terughoudendheid geweld heeft gebruikt tegen een man ([slachtoffer B]), van wie hij wist dat deze geld verschuldigd was aan zijn broer, op het moment dat die [slachtoffer B] zich aan het gezelschap van de man(nen) aan wie hij moest betalen probeerde te onttrekken.
10.4 De rechtbank heeft bij de straftoemeting tevens met de hiervoor door de officier van justitie genoemde omstandigheid (beperkingen) rekening gehouden.
10.5 De rechtbank houdt bij het opleggen van na te melden straf op de voet van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht rekening met de veroordelingen van de Kantonrechter te Haarlem, d.d. 28 augustus 2007 en de Kantonrechter te Breda, d.d. 31 augustus 2007.
10.6 Gelet op het voorgaande, de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van één en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, komt de rechtbank tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
11. Vordering tot schadevergoeding
De benadeelde partij [slachtoffer B] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 10.000,- voor immateriële schade en € 2.750,- voor de kosten van rechtsbijstand, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het tenlastegelegde.
Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van € 250,- voor immateriële schade, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen. De benadeelde partij wordt voor het overige niet ontvankelijk verklaard in haar vordering, inclusief de vordering voor de kosten van rechtsbijstand, nu de vordering niet zo eenvoudig van aard is dat deze zich leent voor afdoening in het strafgeding.
12. Schadevergoedingsmaatregel
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.
13. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank beslist als volgt.
• Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
• Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
• Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
• Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) weken.
• Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) weken niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
• Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
• Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer B], p/a [naam], [adres], girorekeningnummer [nummer], van een bedrag van € 250,- (tweehonderdvijftig euro) met veroordeling van verdachte in de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
• Verstaat dat indien en voor zover door de mededader en/of mededaders het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.
• Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering voor het overige slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
• Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, [slachtoffer B], voornoemd, een bedrag te betalen van € 250,-, met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 5 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
• Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Aldus gewezen door mrs. Van der Hooft, voorzitter, De Bie en Van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Erp, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 mei 2008.
(Eindnoot 1) Zie hiervoor proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte A], pagina 97.
(Eindnoot 2) Zie hiervoor proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 202.
(Eindnoot 3) Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte A], pagina 98.
(Eindnoot 4) Proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 202, alsmede het proces-verbaal ambtelijk verslag, pagina 208.
(Eindnoot 5) Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte A], pagina 98.
(Eindnoot 6) Proces-verbaal ambtelijk verslag, pagina 208.