ECLI:NL:RBZUT:2008:BD3914
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Kleinrensink
- Roessingh
- Gilhuis
- Rechtspraak.nl
Toekenning immateriële schadevergoeding na onterechte inverzekeringstelling wegens verdenking doodslag
Verzoeker werd ten onrechte als verdachte aangemerkt en gedurende twee dagen in verzekering gesteld op verdenking van doodslag op drie personen. De strafzaak werd later geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Tijdens en na de inverzekeringstelling heeft verzoeker te maken gehad met negatieve berichtgeving in lokale en landelijke media, waarin hij werd genoemd als mogelijke veroorzaker van het ongeval. Deze publiciteit heeft geleid tot aanzienlijke immateriële schade, waaronder reputatieschade en bedreigingen via internet en in het openbaar.
De rechtbank oordeelt dat er een causaal verband bestaat tussen de inverzekeringstelling en de ontstane negatieve berichtgeving, en daarmee de immateriële schade. Verzoeker komt op grond van artikel 89 Wetboek Pro van Strafvordering in aanmerking voor een schadevergoeding. Hoewel de officier van justitie een lagere vergoeding van €570,- voorstelde, acht de rechtbank op grond van billijkheid een vergoeding van €5.000 passend.
De beslissing werd op 13 juni 2008 in het openbaar uitgesproken door de rechtbank Zutphen. Hiermee erkent de rechtbank de impact van de onterechte verdenking en de daaruit voortvloeiende schade voor verzoeker.
Uitkomst: De rechtbank kent verzoeker een immateriële schadevergoeding van €5.000 toe wegens de onterechte inverzekeringstelling en de daaruit voortvloeiende immateriële schade.