ECLI:NL:RBZUT:2009:BH3848
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van de Wetering
- De Bie
- Gilhuis
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak verdachte wegens gebrek aan wettig bewijs voor verkrachting en ontucht
Op 30 april 2006 masseerde verdachte op verzoek twee vrouwen, [slachtoffer A] en [slachtoffer B], waarbij hem verkrachting en ontucht werden ten laste gelegd. De officier van justitie stelde dat onvoldoende bewijs bestond voor verkrachting, maar meende dat ontuchtige handelingen bewezen konden worden door het onverhoedse karakter van de aanrakingen. Verdachte ontkende de beschuldigingen en voerde aan dat de aanrakingen onderdeel waren van de massage en zonder dwang plaatsvonden.
De rechtbank oordeelde dat voor de verkrachting onvoldoende bewijs was, mede omdat slechts de aangifte van één slachtoffer als bewijs diende. Ook voor de ontuchtige handelingen was onvoldoende overtuigend bewijs, vooral omdat de slachtoffers niet konden bevestigen dat verdachte bepaalde aanrakingen verrichtte en verdachte deze ontkende. De rechtbank vond dat de handelingen binnen de normale massagetechniek vielen en dat de wederrechtelijkheid ontbrak.
Ten aanzien van de mishandeling werd eveneens geconcludeerd dat de pijn onderdeel was van de massage en niet wederrechtelijk was toegebracht. De rechtbank sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten en verklaarde de benadeelden niet-ontvankelijk in hun schadevorderingen. De uitspraak werd gedaan op 24 februari 2009 door de meervoudige kamer van de rechtbank Zutphen.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs voor verkrachting en ontucht.