AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling medeplegen overval met vuurwapengebruik en afpersing in woning Duiven
Op 12 juli 2008 werd een woning in Duiven overvallen waarbij de bewoners, mevrouw C en de heer D, met vuurwapens werden bedreigd. Verdachte was nauw betrokken bij de voorbereiding en uitvoering van de overval, onder meer door het leveren van een vuurwapen aan medeverdachten en het ontvangen van geld dat van de overval afkomstig was.
De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger was, omdat zij bewust en nauw samenwerkte met de daders en rekening moest houden met het gebruik van geweld. Het feit werd gekwalificeerd als afpersing gepleegd door meerdere personen. Verdachte werd vrijgesproken van een deel van de tenlastelegging wegens onvoldoende bewijs en ontslagen van rechtsvervolging voor heling, omdat het geld door haarzelf was verkregen.
De rechtbank legde een gevangenisstraf op van 15 maanden, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Hierbij werd rekening gehouden met de ernst van het delict, het gebruik van vuurwapens, de traumatische impact op de slachtoffers en het blanco strafblad van verdachte. De straf is lager dan de eis van het OM vanwege de relatief geringere rol van verdachte ten opzichte van haar mededaders.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf waarvan 7 maanden voorwaardelijk wegens medeplegen van een gewelddadige overval met vuurwapens.
Uitspraak
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/460462-08
Uitspraak d.d.: 30 maart 2009
tegenspraak / dip / oip
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats, 1983],
wonende te [plaats],
verblijvende in het huis van bewaring Ter Peel Evertsoord,
raadsvrouw: mr. S.H.O. Schaapherder te Apeldoorn.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 december 2008, 27 februari 2009 en 16 maart 2009.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
zij op of omstreeks 12 juli 2008 in de gemeente Duiven,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen,
door geweld en/of bedreiging met geweld mevrouw [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van ongeveer 55.000
euro geheel of gedeeltelijk verpakt in sealbags, in elk geval van enig goed,
geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer C] en/of
voornoemde [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte
en/of haar mededader(s),
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat zij,
verdachte, en/of haar, verdachtes, mededader(s),
- één of meer (vuur)wapen(s), op het hoofd van voornoemde [slachtoffer D] gericht heeft/
hebben en/of (daarbij) de woning heeft/hebben ingeduwd en/of
-(vervolgens) één of meer (vuur)wapen(s), op het hoofd van voornoemde [slachtoffer C] gericht heeft/hebben, en/of
-meermalen, althans éénmaal, met een (vuur)wapen in zijn hand in de nek van
[medeverdachte A] en/of [medeverdachte G] en/of [medeverdachte D] en/of [medeverdachte F] op of omstreeks 12 juli 2008 te Duiven, tezamen en in vereniging met
een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een)
ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met
geweld
mevrouw [slachtoffer C] en/of [slachtoffer D] heeft gedwongen tot de afgifte
van een geldbedrag van ongeveer 55.000 euro geheel of gedeeltelijk verpakt in
sealbags, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan
voornoemde [slachtoffer C] en/of voornoemde [slachtoffer D], in elk geval aan
een ander of anderen dan aan [medeverdachte A] en/of [medeverdachte G] en/of
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Partiële nietigheid van de dagvaarding
De rechtbank is van oordeel, dat de dagvaarding wat betreft het onder 3 ten laste gelegde nietig moet worden verklaard, aangezien het daar gestelde geen duidelijke en begrijpelijke omschrijving bevat van het ten laste gelegde. In het dossier is sprake van verschillende vuurwapens in handen van verschillende personen. Het is de rechtbank niet duidelijk over welk(e) vuurwapen(s) het in deze tenlastelegging gaat.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs1
A. Vaststaande feiten
1. Op 12 juli 2008 zijn [slachtoffer C] en [slachtoffer D] overvallen in hun woning in Duiven. Daarbij zijn beide personen bedreigd met een vuurwapen. [slachtoffer C] heeft aan één van de overvallers een aantal sealbags met geld afgegeven.2
B. Standpunt openbaar ministerie
2. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft hij ontslag van alle rechtsvervolging gevorderd, nu verdachte niet, zowel medepleger van de overval, als heler van het daarbij gestolen geld kan zijn.
C. Standpunt van de verdachte
3. Door en namens verdachte is bepleit, dat verdachte ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde geen medepleger is, omdat er geen sprake is van een nauwe en volledige samenwerking. Verdachte heeft geen opzet op de overval gehad en derhalve ook niet op het aldaar toegepaste geweld. Voor het overige heeft de raadsvrouw zich ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 1 aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
4. Voorts heeft de raadsvrouw ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Verdachte had immers regelmatig geld in huis in verband met haar eigen zaak. Daarnaast had verdachte geen wetenschap van de afkomst van het geld.
5. Ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
D. Beoordeling door de rechtbank
6. Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
De rechtbank is van oordeel dat verdachte het onder 1 (eerste tekstblok) ten laste gelegde heeft begaan en baseert zich hierbij op:
- de aangifte en aanvullende verklaringen van [slachtoffer D];3
- de aangifte en aanvullende verklaringen van [slachtoffer C];4
- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte D];5
- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte F];6
- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte G];7
- de verklaring van medeverdachte [medeverdachte A];8
- de tweede en zevende verklaring van verdachte bij de politie9;
- de verklaring van verdachte ter terechtzitting op 27 februari 2009.
7. [medeverdachte A] en [medeverdachte G] zijn de woning van [slachtoffer D] en [slachtoffer C] binnengetreden en hebben beiden met een vuurwapen de bewoners bedreigd, met als doel de inhoud van de kluis mee te nemen.10 Tijdens de overval is een wapen afgegaan.
8. Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachten leidt de rechtbank het volgende af. Verdachte was aanwezig op het moment dat medeverdachten [medeverdachte D] en [medeverdachte A] in haar woning afspraken maakten over de overval.11 Tijdens dit gesprek hoorde zij, dat haar partner [medeverdachte F] gevraagd werd ‘iets te regelen’ en zij vermoedde dat het niet in orde zou zijn.12 [medeverdachte F] had haar nadien verteld, dat hij voor [medeverdachte D] en [medeverdachte A] een wapen moest regelen, omdat die twee van plan waren om weer overvallen te plegen.13 De middag voor de overval heeft verdachte een voorwerp dat gewikkeld was in een theedoek, waarvan zij wist dat het een vuurwapen betrof, naar [medeverdachte D] gebracht.14 Kort na de overval heeft [medeverdachte F] op een parkeerplaats bij een McDonalds-restaurant in het bijzijn van verdachte, een geldbedrag in ontvangst genomen. Desgevraagd heeft [medeverdachte F] verdachte laten weten dat dit zijn deel van de buit van de overval in Duiven was.15 Verdachte heeft enkele dagen later met dit geld haar bankrekening aangezuiverd.16
9. Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat verdachte wetenschap had dat de overval zou plaatsvinden, dat zij ten behoeve van deze overval een vuurwapen heeft gebracht naar medeverdachte [medeverdachte D] en dat zij na de overval aanwezig was op het moment dat haar partner [medeverdachte F] geld ontving, met welk geld zij vervolgens haar bankrekening heeft aangevuld. Verdachte heeft vóór en ná de overval een dusdanige rol gespeeld, dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, te weten medeplegen en derhalve niet van medeplichtigheid. Ook het toegepaste geweld kan haar tegengeworpen worden, nu zij er rekening mee moest houden dat het vuurwapen - dat zij nota bene zelf had naar [medeverdachte D] had gebracht - bij de overval ook daadwerkelijk gebruikt zou worden. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
10. Voorts is de rechtbank van oordeel, dat nu verdachten de sealbags met hebben afgedwongen van betrokkenen, sprake is van afpersing en derhalve niet van diefstal met geweld.
11. Ten slotte zal de rechtbank verdachte van het laatste twee gedachtestreepjes van het onder 1 ten laste gelegde vrijspreken, nu de rechtbank van oordeel is dat de afpersing reeds voltooid was en dat daarna [slachtoffer D] met een vuurwapen in de nek is geslagen en er met een vuurwapen is geschoten. De rechtbank zal deze omstandigheden waaronder het feit is gepleegd wel meewegen in de strafmaat.
12. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
- de aangifte en aanvullende verklaringen van [slachtoffer D];17
- de aangifte en aanvullende verklaringen van [slachtoffer C];18
- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting op 27 februari 2009.
13. De rechtbank overweegt dat verdachte ter terechtzitting heeft gezegd, dat als zij bij de politie heeft verklaard dat zij op het moment van het aannemen van het geld wist dat geld van de overval afkomstig was, dit zo is geweest.19 Nu verdachte dus wist dat het geld afkomstig was van de overval, is sprake van opzetheling. Het verweer van de raadsvrouw dat verdachte geen wetenschap had van de afkomst van het geld kan derhalve niet slagen. Het argument dat verdachte regelmatig cash geld in huis had doet daar niets aan af.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
zij op 12 juli 2008 in de gemeente Duiven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld mevrouw [slachtoffer C] en [slachtoffer D] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag verpakt in sealbags toebehorende aan voornoemde [slachtoffer C] en/of voornoemde [slachtoffer D], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,
welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, en zijn mededaders,
- één vuurwapen op het hoofd van voornoemde [slachtoffer D] gericht hebben en
- hem daarbij de woning hebben ingeduwd en
- vervolgens één vuurwapen op voornoemde [slachtoffer C] gericht hebben.
2.
zij in de periode van 12 juli 2008 tot en met 12 augustus 2008 te Dieren, gemeente Rheden, tezamen en in vereniging met een ander, geld voorhanden heeft gehad, terwijl zij en haar mededader ten tijde van het voorhanden krijgen van dat geld wisten, dat het door misdrijf (een overval in een woning in Duiven, waarbij een vuurwapen is gebruikt) verkregen geld betrof;
Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
Ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
Weliswaar valt in art. 416 lid 1 WetboekPro van Strafrecht niet te lezen dat degene die (een van de) aldaar genoemde handelingen verricht, slechts dan wegens heling kan worden gestraft indien het misdrijf waardoor het voorwerp is verkregen door een ander is gepleegd, doch krachtens het begrip van heling - een begunstigingsmisdrijf - moet worden aangenomen dat de omstandigheid dat iemand een helingshandeling begaat ten aanzien van een voorwerp dat hij zelf door enig misdrijf heeft verkregen, aan diens veroordeling wegens heling in de weg staat.20 De helingshandelingen ten aanzien van een goed dat de verdachte door een zelf begaan misdrijf in bezit heeft gekregen kunnen weliswaar bewezen worden, maar niet aangemerkt als een in de art. 416 e.v. van het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld feit, derhalve dient hier ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op het misdrijf:
Feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Oplegging van straf
1. De officier van justitie heeft een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van 18 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest.
2. Door en namens verdachte is bepleit een aanzienlijk deel van de op te leggen straf in de vorm van een voorwaardelijk deel op te leggen, zodat het reclasseringsadvies gevolgd kan worden.
3. De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
4. De rechtbank heeft bij haar straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte betrokken is geweest bij een overval op een woning, waarbij met vuurwapens is gedreigd, geweld is gebruikt en zelfs een schot is gevallen. Verdachte wist dat medeverdachten van plan waren een overval te plegen en heeft een vuurwapen aan hen bezorgd. De overval is voor de bewoners van de overvallen woning, waarin zich ook kinderen bevonden, een beangstigende en traumatische ervaring geweest. Het is bekend dat slachtoffers van dergelijke overvallen vaak langdurige en ernstige psychische gevolgen ondervinden daarvan. Deze traumatische ervaring en het gevoel nergens meer veilig te zijn (ook niet in de eigen woning) zal, naar de ervaring leert, het leven van het slachtoffer langdurig beïnvloeden. Daarbij komt dat een dergelijke overval ook maatschappelijk voor de nodige gevoelens van onrust zorgt, mede door de brute wijze daarvan.
Weliswaar is verdachte niet een van degenen geweest die feitelijk de uitvoeringshandelingen van de overval in de woning (en de daarbij komende bedreigingen en het toegepaste geweld) heeft verricht, maar dat neemt niet weg dat ook zij als medepleger verantwoordelijk is voor die handelingen. In zoverre werkt deze omstandigheid op zichzelf genomen niet strafverlichtend.
5. De rechtbank houdt rekening met het blanco strafblad van verdachte.
6. De rechtbank heeft voorts bij de strafoplegging rekening gehouden met het rapport van de reclassering van 9 januari 2009, waaruit blijkt dat verdachte over voldoende eigenschappen beschikt om een delictvrij leven te leiden, indien zij daarvoor kiest. Een reclasseringstoezicht of andere bijzondere voorwaarden zijn niet geïndiceerd, aldus de reclassering. De reclassering heeft geadviseerd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest met daarbij een voorwaardelijke straf met een proeftijd van drie jaar op te leggen.
7. Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank een deels voorwaardelijke straf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
8. De rechtbank komt tot een lagere straf dan de door de officier van justitie geeiste, nu zij weliswaar, zoals hiervoor is overwogen, het gebruikte geweld ook aan verdachte toerekent, maar in het geheel genomen haar rol ten opzichte van die van haar medeverdachten (veel) geringer is geweest, welk gegeven de rechtbank onvoldoende tot uitdrukking acht komen in de eis van de officier.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de dagvaarding nietig, voor zover het betreft het onder 3 ten laste gelegde.
verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 (eerste tekstblok) en 2 ten laste gelegde heeft begaan.
verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
verklaart het onder 2 bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte voor dit feit van alle rechtsvervolging.
verklaart het onder 1 (eerste tekstblok) bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
verklaart verdachte strafbaar.
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.
bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 7 (zeven) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.
Aldus gewezen door mrs. Van der Hooft, voorzitter, Kleinrensink en Gilhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Soest, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 maart 2009.
1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam) proces-verbaal nr. PL0640/08-208550, gedateerd 27 oktober 2008.
2 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer D] (pagina 3485-3509) en proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer C] (pagina 3510-3524).
3 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer D] (pagina 3485-3509).
4 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer C] (pagina 3510-3524).
5 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte D] (pagina 3842-3913).
6 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte F] (pagina 3961-3970).
7 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte G] (pagina 3947-3960).
8 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte A] (pagina 3819-3841).
9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 2303-2307 en 2319-2321)
10 Zie o.a. proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte A] (pagina 3786-3841)
11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 3973).
12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 3973).
13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 3974).
14 Proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 3974).
15 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte F] (pagina 2320).
16 Verklaring van verdachte ter terechtzitting en proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 3979).
17 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer D] (pagina 3485-3509).
18 Proces-verbaal van verhoor van aangeefster [slachtoffer C] (pagina 3510-3524).
19 Verklaring van verdachte ter terechtzitting en proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 3979).