ECLI:NL:RBZUT:2009:BI2554

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
24 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
354431 CV 08-2927
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.A.M. Smulders
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging huurovereenkomst bedrijfspand vóór eigendomsoverdracht koper

De zaak betreft een geschil tussen een huurder en een koper van bedrijfspanden die nog verhuurd waren. De koper had de panden op een openbare veiling gekocht, maar was op het moment van de huurbeëindiging nog geen formeel eigenaar. Partijen kwamen overeen de huur te beëindigen tegen een afkoopsom, waarna de huurder de panden ontruimde en betaalde.

De huurder stelde dat de betaling onverschuldigd was omdat de koper nog geen eigenaar was en dus niet bevoegd om de overeenkomst te sluiten. De koper voerde aan dat hij dit tijdens de onderhandelingen had meegedeeld en dat de veilingvoorwaarden het risico bij de koper legden.

De rechtbank oordeelde dat partijen rechtsgeldig konden contracteren over zaken die nog niet eigendom waren van de koper. De overeenkomst moest worden uitgelegd naar de bedoeling en redelijke verwachtingen van partijen, waarbij de strekking was de huur zo spoedig mogelijk te beëindigen tegen de afgesproken vergoeding. Het feit dat de koper pas later eigenaar werd, deed daaraan niet af.

De rechtbank concludeerde dat de betaling niet onverschuldigd was en wees de vordering af. De proceskosten werden gecompenseerd omdat het probleem mede door de koper was ontstaan.

Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van de afkoopsom wordt afgewezen omdat geen sprake is van onverschuldigde betaling.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Kanton – Locatie Zutphen
Zaaknummer: 354431 CV 08-2927
Afschrift aan: beide partijen
Verzonden d.d.: 25 maart 2009
vonnis van de kantonrechter d.d. 24 maart 2009
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eisende partij] Transport B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Zutphen,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.H. van den Sigtenhorst, advocaat te Zutphen,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde partij] Vastgoed B.V.,
gevestigd te Bathmen, gemeente Deventer en kantoorhoudende te 7911 TB Nieuweroord, Coevorderstraatweg 95,
gedaagde partij,
procederend bij [naam].
Partijen worden hierna aangeduid als [eisende partij] respectievelijk [gedaagde partij].
1. Het verdere procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 februari 2009;
- de comparitie na antwoord van 5 maart 2009, waarvan aantekening is gehouden door de griffier, alwaar vonnis is bepaald.
2. De feiten
2.1 Op een openbare veiling op 19 februari 2008 heeft [gedaagde partij] enige bedrijfspanden gekocht die aan [eisende partij] verhuurd waren. Kort nadien deelde [gedaagde partij] aan [eisende partij] mee dat zij een hogere huurprijs wenste door te voeren. [eisende partij] stemde hiermee niet in, maar zocht en vond andere bedrijfsruimte. Op 11 maart 2008 kwamen partijen een beëindiging van de huur overeen op 1 april 2008 tegen een door [eisende partij] te betalen afkoopsom van € 10.200,00 inclusief btw, terwijl de huur over de maanden maart en april werd kwijtgescholden.
2.2 Enkele panden zijn door [gedaagde partij] inmiddels doorverkocht aan een derde.
2.3 [eisende partij] heeft ook na 1 april 2008 geen huur betaald aan [gedaagde partij].
3. De vordering en het verweer
3.1 [eisende partij] vordert veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van [gedaagde partij] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te voldoen een bedrag van € 10.200,00, zulks met nevenvorderingen als in de dagvaarding vermeld.
3.2 [eisende partij] legt daaraan, tegen de achtergrond van de vastgestelde feiten, (samengevat) het volgende ten grondslag. Na de ontruiming door [eisende partij] van de bedrijfspanden op 31 maart 2008 en na betaling van de beëindigingssom, kwam [eisende partij] er achter dat [gedaagde partij] eerst op 9 april 2008 eigenaar was geworden van die panden, zodat [gedaagde partij] niet bevoegd was om de onder de feiten genoemde beëindigingsovereenkomst te sluiten. [eisende partij] heeft dan ook onverschuldigd betaald, terwijl van [gedaagde partij] in der minne geen betaling is te verkrijgen.
3.3 Op het verweer van [gedaagde partij] wordt zonodig in het navolgende ingegaan.
4. De verdere beoordeling
4.1 [gedaagde partij] heeft als verweer gevoerd, voor zover in dit geding van belang, dat hij tijdens de onderhandelingen heeft meegedeeld dat hij nog geen formeel eigenaar was, maar dat hij in goed vertrouwen een huurbeëindiging per 1 april is overeengekomen nu de veilingvoorwaarden bepaalden dat het risico voor de koper was.
4.2 Voorop wordt gesteld dat de door [eisende partij] gestelde feiten aan de rechtsbevoegdheid van [gedaagde partij] niet in de weg staan, terwijl ieder ook in beginsel rechtsgeldig kan contracteren omtrent zaken die hem niet in eigendom toebehoren. Iets anders is of de onderhavige overeenkomst (het bedoelde) effect heeft, wat mede afhangt van de uitleg die daaraan moet worden gegeven. Bij de uitleg van een overeenkomst als de onderhavige komt het niet (zozeer) aan op de grammaticale betekenis van de gebruikte bewoordingen, maar op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan het overeengekomene mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daaromtrent wordt het volgende overwogen.
4.3 Blijkens de stellingen van [eisende partij] zelf stonden de onderhandelingen die tot de onderhavige beëindigingsovereenkomst hebben geleid in het teken van de vraag of en onder welke voorwaarden de bestaande huur zou worden voortgezet na de koop door [gedaagde partij]. Vaststaat dat partijen die eerste vraag uiteindelijk negatief hebben beantwoord en daartoe de beëindigingsovereenkomst hebben gesloten. Tegen die achtergrond beschouwd had die overeenkomst als kennelijke strekking de huur te beëindigen op zo kort mogelijke termijn, tegen de overeengekomen vergoeding. Daarmee spoort dat [eisende partij] zich niet op het standpunt heeft gesteld - laat staan als verklaring voor recht heeft gevorderd - dat zij nog immer huurster is van de betreffende panden en ook dat zij, geheel in overeenstemming daarmee, nimmer huur heeft betaald aan [gedaagde partij]. Dat partijen die, naar de kantonrechter ter comparitie heeft geconstateerd, geen van beiden juridisch onderlegd zijn, bij het vormgeven aan hun afspraak in hun onschuld een datum hebben genoemd die acht dagen lag vóórdat [gedaagde partij] eigenares en daarmee verhuurster werd, kan aan genoemde kennelijke strekking niet afdoen.
4.4 Een en ander brengt met zich mee dat [gedaagde partij] (weliswaar pas) op 9 april 2008 eigenares en daarmee verhuurster is geworden, maar dat de bestaande huurovereenkomst per die datum in onderling overleg is beëindigd. Dat de beëindigingsvergoeding lager zou zijn geweest als partijen zich van dat verschil van acht dagen bewust zouden zijn geweest, is gesteld noch gebleken en evenmin waarschijnlijk.
4.5 De conclusie moet zijn dat [eisende partij] niet onverschuldigd heeft betaald, zodat de vordering wordt afgewezen.
4.6 Nu het probleem mede door toedoen van [gedaagde partij] - die immers tijdig juridisch advies had kunnen inwinnen - is ontstaan, zijn er termen de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.
5. De beslissing
De kantonrechter, recht doende:
wijst de vordering af;
compenseert de proceskosten, aldus dat ieder der partijen met de eigen proceskosten belast blijft.
Aldus gewezen door mr. J.A.M. Smulders, kantonrechter te Zutphen, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2009 in tegenwoordigheid van de griffier.