De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig bewijs aanwezig is tegen verdachte, gekeken naar de getuigenverklaringen van [medeverdachteB]3, [medeverdachteC]4, [getuige]5 en de aangifte6. Medeverdachte [medeverdachteB] heeft, kort samengevat, verklaard dat verdachte en hij hadden besproken dat ze de recreatiewoning van [aangever/eigenaar huisje] in de fik zouden steken en dat verdachte heeft uiteengezet op welke wijze ze dat zouden kunnen doen, waarna zij tezamen, met medeneming van flessen aardolie, naar de woning zijn gegaan. Volgens [medeverdachteB] heeft verdachte de flessen olie tegen de muur en op het bed geleegd, met een aansteker een zak met papier in de computerkamer aangestoken, waxinelichtjes in de woning geplaatst en alle pitten van het kooktoestel opengedraaid. Omdat er niets gebeurde, zouden verdachte en [medeverdachteB], volgens deze laatste, nog een keer zijn teruggegaan naar de recreatiewoning. Volgens [medeverdachteB] heeft verdachte toen opnieuw olie naar binnen gegooid en een papieren zakdoekje aangestoken en naar binnen gegooid.
Medeverdachte [medeverdachteC] heeft, kort samengevat, verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd dat het zou gaan knallen omdat hij een kaars in de computerkamer had gezet en de gaskraan had opengezet. Die nacht heeft verdachte, volgens [medeverdachteC], tegen hem gezegd dat hij de tweede keer de vuilnisbak, die vol zat met papier, in de fik had gestoken en dat hij benzine over de bank had gegooid.
[getuige] heeft, kort samengevat, verklaard dat verdachte die avond heeft gezegd dat zij het huisje wel in de fik konden steken en dat zij van verdachte heeft gehoord dat het met de brand was misgegaan.
Verdachte heeft daarentegen bij de politie en ter terechtzitting uitdrukkelijk ontkend de tenlastegelegde feiten te hebben gepleegd.
De verklaringen van de getuigen zouden elkaar in bewijsrechtelijke zin kunnen ondersteunen, maar alleen [medeverdachteB] kan uit eigen ervaring verklaren. [medeverdachteC] en [getuige] verklaren niet bij de onderhavige feiten aanwezig te zijn geweest. Zij verklaren slechts op basis van wat zij hebben gehoord. De diverse verklaringen zijn bovendien lang niet op alle punten consistent . Het door de verdediging naar voren gebrachte verweer dat verdachte, die overigens geen (overtuigend) motief lijkt te hebben om de recreatiewoning van [aangever/eigenaar huisje] in brand te steken, door medeverdachten [medeverdachtenB en C] en de vriendin van [medeverdachteC] ten onrechte als mededader wordt betrokken kan, gelet op het met betrekking tot het bewijs hierboven overwogene, niet overtuigend worden verworpen