ECLI:NL:RBZUT:2010:BN1648

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
20 juli 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/922018-08
Instantie
Rechtbank Zutphen
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Van de Wetering
  • Van der Hooft
  • Draisma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 lid 1 SrArt. 5 Wet op de accijnsArt. 97 Wet op de accijns
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs deelneming aan criminele organisatie voor accijnsfraude

De rechtbank Zutphen behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van deelname aan een organisatie met als doel het plegen van misdrijven, namelijk het illegaal vervoeren van sigaretten zonder accijns. Verdachte erkende één keer sigaretten naar Engeland te hebben vervoerd op verzoek van een opdrachtgever, waarvoor hij in Engeland was veroordeeld. Hij ontkende echter verdere betrokkenheid bij de organisatie.

De officier van justitie concludeerde tot vrijspraak vanwege onvoldoende overtuigend bewijs, ondanks dat er wettig bewijs was voor het enkele transport. De verdediging betoogde eveneens dat verdachte niet deelnam aan de organisatie en dat het bewijs ontoereikend was.

De rechtbank oordeelde dat deelname aan een criminele organisatie inhoudt dat verdachte deel uitmaakt van het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen die het oogmerk van de organisatie ondersteunen. Gezien het ontbreken van bewijs voor dergelijke deelname, sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging.

De uitspraak werd gedaan op 20 juli 2010 door de meervoudige kamer van de rechtbank Zutphen, waarbij de rechters Van de Wetering, Van der Hooft en Draisma het vonnis tekenden.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs voor deelname aan een criminele organisatie.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/922018-08
Uitspraak d.d.: 20 juli 2010
tegenspraak / dip
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats in 1958],
wonende te [adres].
Raadsman: L.Th.G. Grob, advocaat te Doetinchem.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2010.
De tenlastelegging
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 05 juni 2006 tot en met 19 december 2007 in de gemeente(n) Mill en Sint Hubert en/of Nijmegen en/of elders in Nederland en/of in Engeland, tezamen en in vereniging met [medeverdachte A] en/of [medeverdachte C] en/of [medeverdachte D] en/of een of meer ander(en) heeft deelgenomen aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het voorhanden hebben van sigaretten, althans
accijnsgoederen, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken strafbaar gesteld bij artikel 5 in Pro verbinding met artikel 97 van Pro de Wet op de accijns.
art 140 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
Overwegingen ten aanzien van het bewijs
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het ten laste gelegde feit. De officier van justitie heeft aangevoerd dat er wettig bewijs is, maar dat de vereiste overtuiging om tot een bewezenverklaring te komen ontbreekt.
Standpunt van de verdachte / de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit. De raadsman is van mening dat er onvoldoende wettig bewijs is om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Verdachte heeft erkend eenmaal een busje met sigaretten waarover geen accijns is geheven te hebben vervoerd naar Engeland. Uit het dossier kan echter niet worden afgeleid dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, voor zover deze organisatie al heeft bestaan, zoals ten laste is gelegd. Verdachte betwist nadrukkelijk dat hij heeft deelgenomen aan een dergelijke organisatie.
Beoordeling door de rechtbank
Van het aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van Pro het Wetboek van Strafrecht deelnemen is slechts dan sprake indien verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk van de organisatie.
Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij eenmaal sigaretten waarover geen accijns is geheven heeft vervoerd naar Engeland op verzoek van [opdrachtgever] en dat hij hierover contact heeft gehad met [medeverdachte C]. Deze vracht is in Engeland onderschept en verdachte is daarvoor in Engeland aangehouden en veroordeeld. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij dat gedaan heeft in verband met geldproblemen en voorts dat het bij die ene keer is gebleven. Daarvoor heeft hij dergelijke transporten niet verricht, hij was evenmin van plan vaker dergelijke partijen sigaretten te gaan vervoeren wanneer hij niet zou zijn aangehouden. Van de lading onveraccijnsde sigaretten, waarmee zijn zoon, medeverdachte [medeverdachte A], eveneens in Engeland ongeveer tezelfdertijd als hijzelf is aangehouden, had hij geen weet.
Uit de zich in het dossier bevindende stukken kan overigens niet worden afgeleid dat verdachte, afgezien van het hiervoor bedoelde door hem uitgevoerde transport, meer of andere activiteiten of handelingen heeft verricht op grond waarvan kan worden aangenomen, laat staan bewezenverklaard, dat hij behoort tot een organisatie zoals tenlastegelegd.
De rechtbank is dan ook gelet op het vorenoverwogene van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om te kunnen spreken van deelneming door verdachte aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, zoals tenlastegelegd.
Nu geen bewezenverklaring kan volgen voor de deelneming, moet vrijspraak volgen.
Beslissing
De rechtbank:
• verklaart niet bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door mrs. Van de Wetering, voorzitter, Van der Hooft en Draisma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oosting, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 juli 2010.