ECLI:NL:RBZUT:2010:BN7872
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C.M. Boon
- Rechtspraak.nl
Bewijsvoering en onrechtmatige daad bij koop brasserie Doetinchem
In deze civiele zaak stond centraal of gedaagden bij de aankoop van een brasserie op 1 juli 2002 wisten van een eerdere principeovereenkomst tussen eiser en de verkopende partij. De rechtbank stelde eiser bewijsopdrachten om aan te tonen dat gedaagden op de hoogte waren van deze afspraken, waaronder dat een derde partij zijn baan had opgezegd om de brasserie te runnen en dat eiser aanzienlijke vorderingen had op de verkoper die met de koopprijs verrekend konden worden.
Eiser slaagde in het leveren van dit bewijs aan de hand van getuigenverklaringen en documenten, terwijl gedaagden onvoldoende tegenbewijs leverden. De rechtbank oordeelde dat gedaagden niet mochten afgaan op mededelingen van de verkoper dat er geen overeenkomst was, zonder dit te verifiëren bij eiser of diens adviseur. Hierdoor handelden zij onrechtmatig jegens eiser door de brasserie te kopen.
De rechtbank stelde vast dat de financiële situatie van de verkoper slecht was en dat de verrekening van vorderingen een essentieel onderdeel was van de onderhandelingen. Ook werd bevestigd dat er na 23 mei 2002 nog overleg was over de samenwerking en financiering, waarbij alternatieve vormen van samenwerking werden besproken.
De procedure werd aangehouden in afwachting van een arrest in een gerelateerde zaak tussen eiser en een derde partij (Heineken), waarbij ook wanprestatie werd vastgesteld. De rechtbank bepaalde dat tegen dit tussenvonnis hoger beroep mogelijk is.
Uitkomst: Gedaagden wisten van eerdere koopafspraken en handelden onrechtmatig door de brasserie te kopen, verdere beslissing over schadevergoeding wordt aangehouden.