ECLI:NL:RBZUT:2010:BP7432

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
22 december 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
109265 / HA ZA 09-1582
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:185 BWArt. 4:190 BWArt. 4:191 BWArt. 4:192 BW
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens ontbreken aanvaarding nalatenschap door gedaagde

In deze civiele procedure stond de vraag centraal of gedaagde de nalatenschap van zijn moeder had aanvaard, hetgeen eiseres betwistte en waarop zij een vordering baseerde.

Eiseres overlegde verklaringen van kleinkinderen waarin sprake was van beneficiaire aanvaarding, maar deze waren niet conform artikel 4:191 BW Pro ter griffie afgelegd en dus niet rechtsgeldig. Gedaagde erkende wel uitvaartkosten te hebben voldaan, deels uit eigen middelen, maar betwistte dat dit leidde tot aanvaarding van de nalatenschap.

De rechtbank oordeelde dat het voldoen van uitvaartkosten binnen drie maanden na overlijden onder beheersdaden valt en niet duidt op zuivere aanvaarding. Eiseres had onvoldoende concreet gesteld dat gedaagde zich als zuiver aanvaardend erfgenaam had gedragen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat gedaagde de nalatenschap had aanvaard.

De vordering van eiseres werd daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door mr. M. Engelbert-Clarenbeek op 22 december 2010.

Uitkomst: De vordering wordt afgewezen omdat onvoldoende is gesteld dat gedaagde de nalatenschap heeft aanvaard.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Civiel – Afdeling Handel
zaaknummer / rolnummer: 109265 / HA ZA 09-1582
Vonnis van 22 december 2010
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [plaats],
eiseres,
advocaat mr. M.J. Meijer te Haarlem,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats],
gedaagde,
advocaat mr. M. van Kan te Zutphen.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 juli 2010
- de akte van de zijde van [eiseres]
- de antwoordakte van de zijde van [gedaagde].
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
2.1. In het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten omtrent de gerechtigden tot de nalatenschap van [moeder] nader te verduidelijken en te onderbouwen.
[eiseres] heeft twee verklaringen overgelegd van de kleinkinderen van [moeder], waarin zij schrijven de nalatenschap van hun oma beneficiair te aanvaarden.
2.2. In artikel 4:190 BW Pro is bepaald dat een erfgenaam een nalatenschap kan aanvaarden of verwerpen. Een aanvaarding kan zuiver geschieden of onder het voorrecht van boedelbeschrijving. Een eenmaal gedane keuze is (op een hier niet aan de orde zijnde uitzondering na) onherroepelijk.
In artikel 4:191 BW Pro is voorgeschreven dat de in artikel 4: 190 BW bedoelde keuze wordt gedaan door het afleggen van een daartoe strekkende verklaring ter griffie van de rechtbank van het sterfhuis.
2.3. De verklaringen van de kleinkinderen betreffende de nalatenschap van [moeder], zoals door [eiseres] in het geding gebracht, zijn, - anders dan de door haar overgelegde verklaring van deze (klein)kinderen betreffende de nalatenschap van [moeder] -, niet ter griffie van de rechtbank afgelegd. De eigen verklaringen zijn, naar mag worden aangenomen, dan ook niet ingeschreven in het boedelregister, zoals in artikel 4:191 BW Pro is bepaald. De eigen verklaringen leiden er niet toe dat de kleinkinderen de nalatenschap van (groot)[moeder] beneficiair hebben aanvaard.
2.4. Gesteld noch gebleken is, dat [gedaagde] een verklaring als bedoeld in artikel 4:191 BW Pro heeft afgelegd, noch een verklaring tot zuivere aanvaarding, noch een verklaring tot aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, danwel tot verwerping. In artikel 4:192 BW Pro is bepaald dat een erfgenaam de nalatenschap zuiver aanvaardt indien de hij zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam gedraagt. Dit is bijvoorbeeld het geval indien de erfgenaam beheersdaden verricht of aan schuldeisers doet blijken dat hij de schulden der nalatenschap voor zijn rekening neemt. Beheersdaden, verricht in de eerste drie maaden na het overlijden van de erflater, worden niet aangemerkt als daden waaruit een zuivere aanvaarding blijkt (artikel 4:185 BW Pro)
2.5. Nu [eiseres] de vordering instelt tegen [gedaagde], dient zij te stellen, te onderbouwen en, zo nodig, te bewijzen dat in elk geval [gedaagde] de nalatenschap heeft aanvaard. Deze onderbouwing ontbreekt.
[gedaagde] erkent de uitvaartkosten voldaan te hebben, deels uit eigen middelen omdat het saldo van de bankrekening van [moeder] daartoe ontoereikend was. Zij betwist handelingen verricht te hebben die zouden leiden tot het aanvaarden van de nalatenschap. Aangenomen mag worden dat het voldoen van de uitvaartkosten valt onder de beheersdaden in de eerste drie maanden na het overlijden, zodat daaruit niet geconcludeerd kan worden dat [gedaagde] de nalatenschap zuiver heeft aanvaard.
2.6. [eiseres] heeft op geen enkele wijze geconcretiseerd dat [gedaagde], zoals [eiseres] stelt, ‘zich van erflaatster goederen, (waaronder banksaldi) heeft toegeëigend en de nalatenschap naar eigen goeddunken met schuldeisers, fiscus en zichzelf heeft afgewikkeld’. Gelet op de betwisting door [gedaagde] is de enkele, herhaalde, stelling van [eiseres] dat [gedaagde] zich heeft gedragen als een zuiver aanvaard hebbend erfgenaam onvoldoende.
Nu in deze procedure niet kan worden vastgesteld dat [gedaagde] de nalatenschap heeft aanvaard, kan de vordering van [eiseres] niet worden toegewezen.
2.7. [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- vast recht € 316,00
- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten x tarief € 452,00)
totaal € 1.446,00.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1. wijst de vorderingen af,
3.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.446,00,
3.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Clarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2010.