ECLI:NL:RBZUT:2011:BP1187

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
18 januari 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/850292-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Davids
  • Van Valderen
  • Van der Mei
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 245 Wetboek van StrafrechtArt. 361, tweede lid Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van ontuchtige handelingen met minderjarige

De rechtbank Zutphen behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige tussen januari 2009 en januari 2010 in Apeldoorn. Het openbaar ministerie baseerde zich op verklaringen van het slachtoffer en een medeverdachte die het feit bevestigden.

De verdediging betoogde dat de verklaringen onbetrouwbaar waren en dat het feit niet overtuigend bewezen kon worden verklaard. De rechtbank oordeelde dat hoewel de verklaringen belastend waren, zij onvoldoende specifiek en overtuigend waren om tot een bewezenverklaring te komen. De mogelijkheid dat de medeverdachte het feit niet daadwerkelijk heeft kunnen waarnemen, en het ontbreken van concrete aanwijzingen, leidden tot vrijspraak.

Daarnaast had het slachtoffer een vordering tot schadevergoeding ingediend, maar deze werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het feit niet bewezen was. De rechtbank sprak verdachte vrij en wees de schadevordering af.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van ontuchtige handelingen met minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/850292-10
Uitspraak d.d.: 18 januari 2011
Tegenspraak / dnip, onip
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte D],
geboren te [plaats op 1998],
wonende te [plaats, adres].
Raadsman: mr. C.A. Boeve te Putten.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen
van 12 oktober 2010 en 4 januari 2011.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van de maand januari 2009 tot en met de maand januari 2010 te Apeldoorn, in elk geval in de gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, met [slachtoffer A] (geboren [1994]), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer A], hebbende verdachte die [slachtoffer A] met zijn, verdachtes, penis oraal gepenetreerd;
art 245 Wetboek Pro van Strafrecht
Aanleiding van het onderzoek1
1. [slachtoffer A], geboren op [1994], heeft - in het kader van een gesprek met de politie over haar prostitutiewerkzaamheden voor [medeverdachte A] - verklaard dat zij bij verdachte seksuele handelingen heeft verricht.2
Standpunt van het openbaar ministerie
2. De officier van justitie heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daarbij verwezen naar de verklaring van [medeverdachte A]3, die aansluit bij de verklaring van [slachtoffer A]4. Hij heeft voorts opgemerkt dat dit voorval heeft plaatsgevonden in de zomer van 2009.
Standpunt van de verdachte / de verdediging
3. Door en namens verdachte is vrijspraak bepleit, nu het feit wettig maar niet overtuigend bewezen kan worden verklaard. Daartoe is - kort samengevat - aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer A] onbetrouwbaar zijn, hetgeen geldt voor zowel haar bij de politie afgelegde verklaringen als haar bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen. Ook de verklaringen van [medeverdachte A] worden door de verdediging als onbetrouwbaar aangemerkt. Nu verdachte het ten laste gelegde steeds heeft ontkend, kan het feit derhalve niet overtuigend bewezen worden verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank oordeelt terzake als volgt.
[slachtoffer A] heeft bij de politie verklaard dat zij op een dag in de zomer van 2009 bij
[medeverdachte A] thuis in Apeldoorn, ene [verdachte D] heeft gepijpt.5 Dit heeft plaatsgevonden op het toilet.6
Voornoemde [medeverdachte A] heeft bij de politie verklaard dat hij samen met onder meer verdachte bij hem thuis, in de achtertuin, zat te drinken en dat verdachte op een gegeven moment zei dat hij even naar het toilet ging. Toen verdachte lang wegbleef, is [medeverdachte A] de woning binnen gelopen. Verdachte zag [slachtoffer A] niet meer op de bank liggen. Voorts hoorde hij uit het toilet een gekreun en hoorde hij verdachte hijgen. [medeverdachte A] is vervolgens weer naar buiten gelopen en heeft verder verklaard dat hij even later verdachte en [slachtoffer A] uit het toilet zag komen. [slachtoffer A] vertelde aan [medeverdachte A] dat zij verdachte gepijpt had.7
5. De verklaring van [slachtoffer A] en [medeverdachte A] kunnen naar het oordeel van de rechtbank als belastend voor verdachte worden aangemerkt. De rechtbank acht deze verklaringen echter niet voldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Zij overweegt daartoe dat - gelet op hetgeen verdachte ter zitting heeft verklaard over de indeling van de woning van [medeverdachte A] - het niet kan worden uitgesloten dat voornoemde [medeverdachte A] (van buiten) niet heeft kunnen zien dat verdachte en [slachtoffer A] uit het toilet kwamen. De verklaring van [medeverdachte A] in het dossier is op dit punt onvoldoende specifiek. De omstandigheid dat [medeverdachte A] enige geluiden in het toilet heeft gehoord brengt de rechtbank evenmin tot de conclusie dat het feit (wettig en overtuigend) bewezen kan worden verklaard. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte vrijspreken.
Vordering tot schadevergoeding
6. De benadeelde partij [slachtoffer A], wonende aan de [adres te plaats] (bankrekeningnummer: [nummer]) heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 5.500,- gevoegd in het strafproces.
7. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu deze vordering geen betrekking heeft op een bewezen verklaard feit en aan de benadeelde partij derhalve geen rechtstreekse schade is toegebracht door een bewezen verklaard feit, zoals bedoeld in artikel 361, tweede lid aanhef en sub b van het Wetboek van Strafvordering.
Beslissing
De rechtbank:
* verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;
* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer A] niet-ontvankelijk in haar vordering.
Aldus gewezen door mrs. Davids, voorzitter, Van Valderen en Van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 januari 2011.
1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer PL0620/2009111745, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Apeldoorn, Team Recherche gesloten en ondertekend op 1 mei 2010.
2 Proces-verbaal van bevindingen betreffende een samenvatting van het verhoor van [slachtoffer A] (p.1651) en het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 23 december 2010.
3 Proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte A] (p.1821).
4 Proces-verbaal van bevindingen betreffende een samenvatting van het verhoor van [slachtoffer A] (p.1651) en het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 23 december 2010.
5 Proces-verbaal van bevindingen betreffende een samenvatting van het verhoor van [slachtoffer A] (p.1651)
6 Proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer A] bij de rechter-commissaris d.d. 23 december 2010.
7 Proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte A] (p.1821)