ECLI:NL:RBZUT:2011:BP4563
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot oproeping in vrijwaring wegens te late indiening en ontbreken rechtsverhouding
In deze civiele procedure bij de rechtbank Zutphen vordert gedaagde toestemming om een derde, [naam 1], in vrijwaring op te roepen. Deze vordering volgt na een eerder bevoegdheidsincident waarin de Nederlandse rechter zich bevoegd verklaarde.
De rechtbank oordeelt dat de vordering tot vrijwaring te laat is ingesteld omdat incidentele vorderingen volgens artikel 208 en Pro 210 Rv gelijktijdig moeten worden ingesteld. Gedaagde heeft geen gegronde reden gegeven waarom dit niet mogelijk was. Daarnaast ontbreekt een rechtsverhouding tussen gedaagde en [naam 1] die een verplichting tot vrijwaring zou inhouden.
De rechtbank overweegt dat de shareholders agreement tussen partijen en anderen niet ziet op de bestuursverhouding tussen gedaagde en [naam 1] binnen [bedrijf 1]. Ook eerdere beslissingen van de Ondernemingskamer wijzen erop dat gedaagde als bestuurder persoonlijk verantwoordelijk is voor het wanbeleid, zonder dat [naam 1] daarvoor mede aansprakelijk is.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot oproeping in vrijwaring af en veroordeelt gedaagde in de proceskosten. De hoofdzaak wordt verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: Verzoek tot oproeping in vrijwaring wordt afgewezen wegens te late indiening en ontbreken rechtsverhouding.