ECLI:NL:RBZUT:2011:BU1414

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
21 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
452484 BM VERZ 11-111
Instantie
Rechtbank Zutphen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot instelling van beschermingsbewind wegens ontbreken beperking

Verzoeker heeft op 30 maart 2011 een verzoek ingediend tot het instellen van een bewind over zijn goederen. Dit verzoek werd op 8 juni 2011 afgewezen wegens het ontbreken van noodzaak en onvoldoende onderbouwing. Op 23 juni 2011 diende de beoogd bewindvoerder het verzoek opnieuw in. Tijdens de mondelinge behandeling op 31 augustus 2011 werd besproken dat voor het instellen van een beschermingsbewind een lichamelijke of geestelijke beperking vereist is die het beheer van vermogensrechtelijke belangen belemmert.

Verzoeker gaf aan geen beperking te hebben en wenste het bewind om hulp bij zijn uitgaven te krijgen. De kantonrechter stelde vast dat dit neerkomt op een schuldenbewind, waarvoor eveneens aan de wettelijke vereisten moet worden voldaan. Verzoeker kreeg de gelegenheid om medische stukken te overleggen of desondanks het verzoek te handhaven, maar heeft hier geen gehoor aan gegeven.

De kantonrechter benadrukte dat het instellen van een beschermingsbewind niet automatisch volgt uit een verzoek en dat het ontbreken van een beperking het verzoek ongegrond maakt. De rol van de rechter is toetsend en niet louter uitvoerend. Gezien het ontbreken van bewijs voor een beperking wees de kantonrechter het verzoek af.

Uitkomst: Het verzoek tot instelling van een beschermingsbewind wordt afgewezen wegens het ontbreken van een lichamelijke of geestelijke beperking.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Kanton – Locatie Harderwijk
Zaaknummer : 452484 BM VERZ 11-111
beschikking van de kantonrechter d.d. 21 oktober 2011
inzake het verzoek dat op 23 juni 2011 is ingediend door:
[verzoeker],
geboren te [plaats op 1978],
wonende te [plaats aan adres],
tot het instellen van een bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende, hemzelf.
De procedure
Op 30 maart 2011 heeft [verzoeker] een verzoek gedaan om tot het instellen van een bewind over de goederen die hem (zullen) toebehoren.
Bij beschikking van 8 juni 2011 is dit verzoek afgewezen, omdat de noodzaak voor het instellen van een bewind niet is komen vast te staan. Uit de stukken viel niet af te leiden dat daarvoor voldoende grond bestond en [verzoeker] is niet verschenen op de mondelinge behandeling van het verzoek.
Op 23 juni 2011 heeft de beoogd bewindvoerder, [naam] het verzoek van 30 maart 2011 opnieuw namens [verzoeker] ingediend.
Naar aanleiding van een telefonisch verzoek van de rechtbank om nadere medische informatie, heeft de beoogd bewindvoerder aan de rechtbank bericht dat het bewind is verzocht omdat [verzoeker] geen verantwoording neemt voor zijn eigen financiële situatie. Hij opent geen post en brengt zijn schuldeisers nergens van op de hoogte. Hij komt gemaakte afspraken niet na. Volgens de beoogd bewindvoerder wil [verzoeker] schoon schip maken om later een toekomst op te kunnen bouwen.
De opgevraagde informatie was niet bij deze brief gevoegd.
Vervolgens heeft op 31 augustus 2011 een mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden.
Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek is de wettelijke grondslag voor instelling van een beschermingsbewind besproken en is de zaak vervolgens aangehouden teneinde [verzoeker] in de gelegenheid te stellen medische stukken te overleggen waaruit blijkt dat sprake is van een lichamelijke of geestelijke toestand als gevolg waarvan hij niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen, dan wel hem de gelegenheid te geven dat hij ondanks het ontbreken van dergelijke stukken perse onder bewind wenst te worden gesteld en de gevolgen daarvan goed begrijpt.
Bij brief van 13 september 2011 heeft de beoogd bewindvoerder aan de rechtbank bericht dat zij het niet eens is met de visie van de kantonrechter op de gronden voor instelling en opheffing van een beschermingsbewind. Zij heeft daartoe verwezen naar informatie op internetsite van de rechtspraak.
De beoordeling
Voor de instelling van een beschermingsbewind is wettelijk vereist dat sprake is van een lichamelijke of geestelijke beperking, als gevolg waarvan betrokkene niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen waar te nemen. Dit betekent dat allereerst moet worden vastgesteld dat sprake is van een beperking en dat vervolgens beoordeeld moet worden of de betrokkene door die beperking niet meer ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen kan waarnemen. Ook indien iemand zelf om het instellen van een beschermingsbewind verzoekt, moet de rechter beoordelen of sprake is van een lichamelijke of geestelijke beperking die aan behoorlijk vermogensbeheer in de weg staat. Het enkele bestaan van schulden is derhalve niet voldoende voor de verzochte maatregel. Hetzelfde geldt voor de wens om van bestaande schulden af te komen.
In het onderhavige geval is geen sprake van schriftelijke stukken waaruit het bestaan van de vereiste beperking kan worden afgeleid. Uit het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling is een dergelijke beperking evenmin gebleken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft betrokkene verklaard dat in zijn geval geen sprake is van een lichamelijke of geestelijke beperking. Hij wil onder bewind gesteld worden omdat hij hulp wil krijgen bij door hem gedane uitgaven.
Voor de kantonrechter is komen vast te staan dat in dit geval sprake is van een zogeheten schuldenbewind. Naar het oordeel van de kantonrechter moet ook in een dergelijke situatie aan het wettelijke vereiste voor het instellen van een beschermingsbewind zijn voldaan. De mondelinge behandeling van het verzoek is aangehouden om [verzoeker] in de gelegenheid te stellen aan te tonen dat aan dit vereiste is voldaan. Hem is zelfs de mogelijkheid geboden om – bij het ontbreken hiervan – te verklaren dat hij desondanks toch zijn verzoek wilde handhaven en de consequenties daarvan, in het bijzonder gelegen in de mogelijkheden en onmogelijkheden van het opheffen van het bewind, goed heeft begrepen. Van [verzoeker] is echter niets meer vernomen. Slechts de beoogd bewindvoerder heeft haar mening kenbaar gemaakt.
Anders dan de beoogd bewindvoerder kennelijk meent, is de rol van de kantonrechter bij het instellen en opheffen van een beschermingsbewind geen kwestie van “u vraagt, wij draaien”. Dit wordt ook niet anders, indien in ogenschouw wordt genomen dat de ondercuratelestelling wegens verkwisting in de toekomst (mogelijkerwijs) wordt vervangen door een onderbewindstelling wegens het hebben van problematische schulden of verkwisting. Als de wet al in die zin wordt aangepast, is sprake van een zodanig fundamentele wijziging, dat daarop niet behoort te worden vooruitgelopen.
Uit het voorgaande volgt dat er geen gronden voor het instellingen van een bewind zijn gebleken. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.
De beslissing
De kantonrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Haasnoot en door deze in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.