ECLI:NL:RBZUT:2011:BV0742
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.H.W. Verheul
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke veroordeling wegens niet-nakoming kredietovereenkomst met ABN AMRO
ABN AMRO heeft een kredietovereenkomst gesloten met gedaagden voor een doorlopend krediet van €7.500,00. Gedaagde B is gedurende ten minste twee maanden achterstallig geweest in betaling en is na ingebrekestelling nalatig gebleven, waardoor ABN AMRO het volledige bedrag opeisbaar stelde.
Gedaagde B voerde verweren aan tegen de dagvaarding, waaronder nietigheid wegens schending van substantiërings- en bewijsaandraagplicht (art. 111 lid 3 Rv Pro), niet-ontvankelijkheid van ABN AMRO en betwistte de hoogte van de vordering en rente. De rechtbank oordeelde dat ABN AMRO uiteindelijk aan haar procesverplichtingen had voldaan door het overleggen van relevante stukken bij conclusie van repliek, waardoor de dagvaarding niet nietig was en ABN AMRO ontvankelijk was.
De rechtbank stelde vast dat gedaagde B niet tijdig had betaald en haar adreswijziging niet had doorgegeven, waardoor de ingebrekestelling rechtsgeldig was. Het opeisbare bedrag bedroeg €7.752,05 plus contractuele rente, totaal €8.043,40 op datum dagvaarding. Gedaagde A was niet verschenen en verstek is verleend. De rechtbank veroordeelde beide gedaagden hoofdelijk tot betaling van dit bedrag, met veroordeling van gedaagde A in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde A en B worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €8.043,40 plus rente en gedaagde A in proceskosten.