ECLI:NL:RBZUT:2012:BW3683
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen onbevoegdheid college bij ingebrekestelling leges identiteitskaart
Eiser diende een bezwaarschrift in tegen de geheven leges voor de verstrekking van een Nederlandse identiteitskaart en stuurde een ingebrekestelling naar het college van burgemeester en wethouders wegens het uitblijven van een uitspraak op bezwaar. De rechtbank oordeelde dat het college niet bevoegd was om op de ingebrekestelling te beslissen, aangezien dit de taak is van de heffingsambtenaar. Het college had de ingebrekestelling moeten doorzenden aan de heffingsambtenaar, wat niet is gebeurd, waardoor het beroep gegrond werd verklaard en het bestreden besluit werd vernietigd.
Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat de heffingsambtenaar ter zitting verklaarde dezelfde beslissing te zullen nemen en de uitspraak op bezwaar binnen de wettelijke termijn was gedaan. De rechtbank verwees hierbij naar een eerdere Hoge Raad-uitspraak en stelde vast dat geen dwangsom verschuldigd was. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiser vergoed.
De procedure werd behandeld zonder aanwezigheid van eiser, die vooraf afwezig had gemeld. Verweerder werd vertegenwoordigd door een gemachtigde. De uitspraak werd gedaan door rechter L.J. Bosch op 22 februari 2012.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.