ECLI:NL:RBZUT:2012:BW5063

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
20 maart 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/922016-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Prisse
  • Van der Hooft
  • Edelenbos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 326 Wetboek van Strafrecht
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs oplichting met levensverzekeringsovereenkomsten

De rechtbank Zutphen heeft op 20 maart 2012 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte die werd verdacht van oplichting met levensverzekeringsovereenkomsten. Verdachte werd ervan beschuldigd in de periode van maart 2005 tot februari 2006 met listige kunstgrepen de Goudse levensverzekeringen N.V. te hebben bewogen tot het uitkeren van provisie-ineens ter waarde van ongeveer 96.477,36 euro.

De verdediging voerde onder meer een niet-ontvankelijkheidsverweer aan wegens overschrijding van de redelijke termijn en willekeur bij vervolging. De rechtbank verwierp deze verweren op basis van jurisprudentie van de Hoge Raad en het ontbreken van feitelijke onderbouwing.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, mede omdat niet kon worden vastgesteld dat het oogmerk van verdachte gericht was op alle elementen van de tenlastelegging. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van oplichting.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/922016-10
Uitspraak d.d.: 20 maart 2012
Tegenspraak - oip
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedatum] 1979,
wonende te [adres].
Raadsman: mr. Verhaak, advocaat te Huissen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 06 maart 2012.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 15 maart 2005
tot en met 25 februari 2006 te Gouda, althans te Nederland, tezamen en in
vereniging met een of meer rechtspersonen en/of een of meer natuurlijke
personen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een)
ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een
valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige
kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de Goudse
levensverzekeringen N.V. heeft bewogen tot de afgifte van (in totaal) ongeveer
96.477,36 euro, althans een of meer geldbedrag(en), in elk geval van enig
goed, en/of tot het aangaan van een schuld en/of tot het teniet doen van een
inschuld, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven
oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk
en/of in strijd met de waarheid, 39 althans een of meer
levensverzekeringsovereenkomsten aangebracht bij de Goudse levensverzekeringen
N.V.,(telkens) met de intentie om uitbetaling van de provisie-ineens door de
Goudse levensverzekeringen N.V. te verkrijgen, en vervolgens die
overeenkomst(en) heeft (laten) beëindigen en/of heeft doen beëindigen door de
verzekeringnemer en/of de Goudse levensverzekeringen N.V. wegens het
uitblijven van premiebetaling(en), waardoor de Goudse Levensverzekeringen N.V.
(telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte van provisie-ineens;
art 326 Wetboek Pro van Strafrecht
Niet-ontvankelijkheidsverweer
De raadsman heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn en voorts dat bij de vervolging van verdachte sprake is van willekeur.
De rechtbank overweegt als volgt.
Bij arrest van 17 juni 2008 heeft de Hoge raad eerdere jurisprudentie met betrekking tot de berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro samengevat en waar nodig aangepast. Hoofdregel is dat overschrijding van de redelijke termijn niet leidt tot niet-ontvankelijk van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Het desbetreffende verweer wordt mitsdien verworpen.
Het verweer dat er sprake zou zijn van willekeur bij de vervolging van verdachte wordt eveneens verworpen. Niet aannemelijk is geworden, bij gebrek aan verdere feitelijke onderbouwing, dat door het niet vervolgen van in het bijzonder van [naam 1] en [naam 2] en wel van verdachte, sprake is van het door het openbaar ministerie op zodanige wijze in strijd handelen met het gelijkheidsbeginsel dat dat de conclusie zou wettigen dat ter zake van de onderhavige vervolgingsbeslissing het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken.
In dit verband wordt nog overwogen dat door de rechtbank niet kan worden vastgesteld dat het oogmerk van verdachte gericht is geweest op alle in de tenlastelegging genoemde elementen.
Beslissing
De rechtbank:
• verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Aldus gewezen door mr. Prisse, voorzitter, mr. Van der Hooft en mr. Edelenbos, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Demmers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 maart 2012.