ECLI:NL:RBZUT:2012:BW6244

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
21 mei 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12/563
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbAlgemene wet bestuursrechtHinderwetWet milieubeheer
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering handhaving kleiduivenschietvereniging Didam

Verzoeker heeft het college van burgemeester en wethouders van Montferland verzocht handhavend op te treden tegen de kleiduivenschietvereniging Baerlebosch te Didam wegens overtreding van milieuregels. Het college heeft dit verzoek afgewezen omdat er een lopende vergunningprocedure is die tot legalisatie kan leiden.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met de geldende milieuvergunning, waardoor het college bevoegd is bestuursdwang toe te passen. Echter, gezien het algemeen belang bij handhaving, mag het college alleen onder bijzondere omstandigheden weigeren, zoals wanneer concreet zicht op legalisatie bestaat.

De derde-partij heeft een aanvraag ingediend voor een nieuwe omgevingsvergunning die het college voornemens is positief te besluiten. De voorzieningenrechter ziet geen aanwijzingen dat deze vergunning niet kan worden verleend en acht het verzoek om handhaving daarom niet spoedeisend.

Daarom wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de weigering tot handhaving wordt afgewezen vanwege een lopende vergunningprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Bestuursrecht
Voorzieningenrechter
Reg.nr.: 12/563
Uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:
[verzoeker]
te [plaats],
verzoeker,
en
het college van burgemeester en wethouders van Montferland
verweerder.
Kleiduivenschietvereniging Baerlebosch
te Didam,
derde-partij.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 april 2012 heeft verweerder het verzoek van 14 november 2006 van verzoeker om handhavend op te treden tegen de derde-partij afgewezen.
Verzoeker heeft daartegen bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 10 mei 2012, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. drs. R.T.M. Lagerweij, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand te Tilburg. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.W Weiss en S.J.M. Teunissen. De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. van Deutekom, advocaat te Arnhem.
2. Overwegingen
2.1 Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.
2.2 De derde-partij exploiteert sinds 1967 een schietinrichting aan de Baarleweg te Didam. Sinds 1980 is derde-partij gevestigd aan de Baarleweg 8. Op basis van de activiteiten die in het verleden plaatsvonden is in 1983 een vergunning op grond van de Hinderwet en in 2002 een vergunning op grond van de Wet milieubeheer aan de derde-partij verleend. In deze vergunningen zijn voorschriften opgenomen om de geluidhinder op de omgeving te beperken.
2.3 Vaststaat en tussen partijen niet in geschil is dat de feitelijke situatie niet in overeenstemming is met de thans geldende milieuvergunning. Verweerder is derhalve bevoegd om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden.
2.4 Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.5 Op 1 november 2011 is door de derde-partij op basis van de in het verleden vergunde activiteiten een aanvraag voor een nieuwe, de gehele inrichting omvattende, omgevingsvergunning (revisievergunning milieu) bij verweerder ingediend. Verweerder is voornemens positief op deze aanvraag te beslissen en streeft er naar om thans op heel korte termijn een daartoe strekkend ontwerp van het te nemen besluit ter inzage te leggen.
2.6 Verzoeker heeft betoogd ernstige overlast van de schietinrichting te ondervinden. In het betoog van verzoeker heeft de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de omgevingsvergunning zoals aangevraagd niet kan worden verleend. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat doorbreking of beperking van bestaande rechten niet zonder meer mogelijk is.
2.7 Onder deze omstandigheden heeft verweerder het verzoek om handhaving van verzoeker naar voorlopig oordeel kunnen afwijzen op de grond dat concreet zicht op legalisatie bestaat. Derhalve kan niet worden gezegd dat, onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist.
2.8 Voor een veroordeling in proceskosten bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach-de Wit. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2012.