ECLI:NL:RBZWB:2013:10516
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Verstek
- M.J.M. Klarenbeek
- Rechtspraak.nl
Hoofdelijke aansprakelijkheid voor achterstallig loon bij opvolgend werkgeverschap
Eiser trad per 1 mei 2013 in dienst bij gedaagde 1 voor zes maanden. Over mei tot en met juli 2013 ontving eiser niet het volledige loon, ondanks loonstroken. Op 30 juli 2013 werd eiser op staande voet ontslagen wegens economische redenen. Vervolgens trad eiser per 1 augustus 2013 in dienst bij gedaagde 2, maar ontving geen loon of loonstrook over augustus 2013 en meldde zich ziek op 14 augustus 2013.
Eiser vorderde in kort geding de hoofdelijke veroordeling van beide gedaagden tot betaling van achterstallig loon en wettelijke verhoging, stellende dat sprake is van opvolgend werkgeverschap. Gedaagden verschenen niet en voerden geen verweer.
De kantonrechter oordeelde dat eiser een spoedeisend belang had en dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond was. De veroordeling werd toegewezen, waarbij de hoofdelijke aansprakelijkheid van gedaagde 1 eindigt per 1 november 2013, omdat de tijdelijke arbeidsovereenkomst dan eindigt. Voor het loon uit hoofde van de arbeidsovereenkomst met gedaagde 2 geldt dat betaling wordt toegewezen tot de rechtsgeldige beëindiging van die overeenkomst. De wettelijke verhoging werd in deze voorlopige voorziening niet toegewezen.
Ten slotte werden de proceskosten aan de zijde van eiser toegewezen aan eiser. Dit vonnis is gewezen door kantonrechter M.J.M. Klarenbeek en uitgesproken op 31 oktober 2013.
Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van achterstallig loon aan eiser, met beperkingen in aansprakelijkheidstermijnen en zonder wettelijke verhoging.