Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van gemeenschap van goederen en hebben na hun echtscheiding een echtscheidingsconvenant gesloten waarin de man aan de vrouw een bedrag van oorspronkelijk €150.000 verschuldigd is verklaard, later verminderd tot €140.000. De man heeft slechts een deel betaald en stopte met termijnen vanaf maart 2011. De vrouw vordert betaling van het resterende bedrag.
De man voert verweer met een beroep op dwaling en betwist de hoogte van de vordering, stellende dat hij niet betrokken was bij de totstandkoming en dat het bedrag niet inzichtelijk is. Hij vordert tevens vernietiging van de overeenkomst. De vrouw stelt dat het bedrag gebaseerd is op een zorgvuldige waardebepaling en dat het convenant tevens een vaststellingsovereenkomst betreft, waardoor een beroep op dwaling in beginsel niet mogelijk is.
De rechtbank oordeelt dat het convenant inderdaad een vaststellingsovereenkomst is en dat partijen zich daarmee binden, ook als de overeenkomst afwijkt van wettelijke normen. De man was zich bewust van de inhoud en heeft berust in de betalingsverplichting. Zijn beroep op dwaling wordt verworpen. De vordering van de vrouw tot betaling van €136.000 plus wettelijke rente wordt toegewezen, terwijl de vordering van de man tot vernietiging van de overeenkomst wordt afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd.