De zaak betreft een geschil tussen de gemeente Sluis en een inwoner over een strook grond van 220 m2 achter diens woning. De gemeente vordert ontruiming van de grond, stellende dat de gedaagde geen recht of titel heeft op de grond en dat er geen sprake is van bezit. De gedaagde stelt echter dat hij sinds 1986 de grond onafgebroken in bezit heeft en door middel van feitelijke machtsuitoefening en onderhoud eigenaar is geworden via verkrijgende verjaring.
De rechtbank stelt vast dat de gedaagde vanaf 1986 de strook grond heeft onderhouden, ingericht met een tuinhuisje, zitkuil, erfafscheidingen, heg en steiger, en dat deze handelingen een duidelijke eigendomsvoorwendsel vormen. De gemeente kon volgens de rechtbank ook toegang krijgen tot de grond en was bekend met het gebruik, onder meer door eerdere correspondentie en handelingen zoals het verwijderen van populieren.
De rechtbank concludeert dat de verjaringstermijn van 20 jaar is voltooid in 2006, waardoor de vordering van de gemeente tot ontruiming verjaard is. De vordering van de gemeente wordt afgewezen en de gedaagde wordt erkend als eigenaar van de strook grond. De gemeente wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan de gedaagde.