ECLI:NL:RBZWB:2013:11403

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
6 november 2013
Publicatiedatum
9 september 2014
Zaaknummer
C/02/262638 / HA ZA 13-277
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22 RvArt. 843a RvArt. 128 lid 3 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot verstrekking specificaties facturen en dagvaardingen in civiele procedure

In deze civiele procedure vordert Vita dat PCDA wordt veroordeeld tot het verstrekken van specificaties van facturen en afschriften van dagvaardingen die ten behoeve van Vita zijn opgesteld. Vita baseert haar vordering op artikel 843a Rv, stellende dat zij deze stukken nodig heeft voor haar verweer en het formuleren van een reconventionele vordering, terwijl PCDA weigert deze te verstrekken.

PCDA voert verweer dat Vita de gevraagde stukken reeds in bezit heeft en dat er geen rechtsgrond bestaat om buiten de procedure om stukken te verstrekken. De rechtbank overweegt dat aan de voorwaarden van artikel 843a Rv is voldaan: Vita heeft een rechtmatig belang, de stukken zijn voldoende gespecificeerd en betreffen een rechtsbetrekking waarbij Vita partij is.

De rechtbank wijst het verweer van PCDA af dat Vita de stukken al bezit, aangezien Vita heeft gesteld deze niet meer te hebben. Ook is onvoldoende gemotiveerd dat er een gewichtige reden is om afgifte te weigeren. PCDA wordt veroordeeld tot verstrekking binnen dertig dagen, met een dwangsom van €500 per dag bij niet-naleving, en in de kosten van het incident. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling.

Uitkomst: PCDA wordt veroordeeld tot het verstrekken van specificaties van facturen en dagvaardingen aan Vita binnen dertig dagen, met een dwangsom bij niet-naleving.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team civiel
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/262638 / HA ZA 13-277
Vonnis in incident van 6 november 2013
in de zaak van
de besloten vennootschap
VAN POPPEL CROONEN VAN DIJK ADVOCATEN B.V.,
gevestigd te Utrecht,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. M.L.F.J. Schyns te Utrecht,
tegen
de besloten vennootschap
VITA CONCEPT B.V.h.o.d.n.
VITA COMFORT,
statutair gevestigd Woensdrecht en kantoorhoudende te Hoogerheide,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. J.H. van Seters te Roermond.
Partijen zullen hierna PCDA en Vita worden genoemd.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties
  • de incidentele conclusie
  • de antwoordconclusie in het incident.
2.2.
In de hoofdzaak vordert PCDA veroordeling van Vita tot betaling aan PCDA van een bedrag van € 47.435,61, vermeerderd met rente en (buitengerechtelijke) kosten, wegens de onbetaald gelaten facturen.

3.Het geschil in het incident

3.1.
Vita vordert dat PCDA wordt veroordeeld om binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis aan Vita afschriften te verstrekken van de ten behoeve van Vita opgestelde en betekende dagvaardingen in kort geding, alsmede specificaties te verstrekken van de in de hoofdzaak door PCDA overgelegde facturen, op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- per (gedeelte van een) dag, met veroordeling van PCDA in de proceskosten.
Onder verwijzing naar de artikelen 22 en 843a Rv stelt Vita dat zij in het kader van haar verweer tegen de vordering in de hoofdzaak en het formuleren van een reconventionele vordering recht en belang heeft bij het verstrekken door PCDA aan Vita van de verzochte stukken. Vita beschikt niet (meer) over deze stukken. PCDA weigert, ondanks eerdere verzoeken daartoe, de verzochte informatie te verstrekken.
3.2.
PCDA voert verweer. Zij stelt dat Vita de door haar verzochte stukken al in haar bezit heeft. PCDA heeft deze stukken in het verleden aan Vita doen toekomen. Vita erkent die stukken ook te hebben (gehad).
Er bestaat geen rechtsgrond die PCDA er, buiten de procedure om, toe kan verplichten om aan Vita een kopie van de stukken toe te sturen, die Vita zelf al in bezit heeft.
Artikel 22 Rv Pro is niet van toepassing, nu dat artikel de bepaling betreft dat de rechter kan aangeven dat in een procedure bescheiden moeten worden overgelegd.
Artikel 843a Rv wordt door Vita in haar conclusie wel vermeld, maar er wordt geen beroep op gedaan, laat staan dat dit beroep is onderbouwd. Reeds daarom kan de incidentele vordering niet op dat artikel worden gegrond.
Vita heeft bovendien geen belang bij haar vordering, nu zij zelf over de betreffende stukken beschikt.
PCDA stelt dat de incidentele vordering van Vita dient te worden afgewezen. Zij vordert veroordeling van Vita in de proceskosten, met de bepaling, primair, onder toepassing van artikel 128 lid 3 Rv Pro, dat Vita niet meer ten principale mag antwoorden, subsidiair, dat Vita op zeer korte termijn dient te antwoorden, bij gebreke waarvan zij de mogelijkheid daartoe heeft prijsgegeven. PCDA voert hiertoe aan dat Vita met het opwerpen van het incident een onnodige procesvertraging heeft ingericht en dat verdere onnodige vertraging moet worden voorkomen.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
De rechtbank begrijpt de incidentele vordering van Vita - en met name de verwijzing naar de artikelen 22 en 843a Rv - aldus, dat zij deze grondt op de artikelen 22 en 843a Rv.
Voorzover Vita verzoekt PCDA op grond van artikel 22 Rv Pro te bevelen inlichtingen te verschaffen overweegt de rechtbank als volgt. De rechter is op grond van dit artikel bevoegd om (één van) partijen te bevelen nadere informatie te verschaffen. De rechtbank ziet echter op basis van hetgeen thans is gesteld op dit moment geen aanleiding PCDA een dergelijk bevel te geven.
4.2.
Voorzover Vita haar vordering baseert op artikel 843a Rv wordt als volgt overwogen.
Voor toewijzing van de vordering op grond van dit artikel moet voldaan zijn aan drie voorwaarden: (1) degene die vordert dient een rechtmatig belang te hebben, (2) het moet gaan om bepaalde bescheiden en (3) aangaande een rechtsbetrekking waarin eiser of zijn voorganger partij is. Indien aan deze drie voorwaarden is voldaan, is degene die de stukken waarvan afgifte wordt gevraagd niettemin niet gehouden deze af te geven indien (a) een gewichtige reden zich daartegen verzet of (b) redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtspleging ook zonder afgifte van de gevraagde stukken is gewaarborgd (artikel 843a lid 4 Rv).
4.3.
Vita stelt dat zij belang heeft bij afgifte van de door haar verzochte stukken in het kader van haar verweer tegen de vordering in de hoofdzaak en het formuleren van de reconventionele vordering. Dit is op zich door PCDA niet betwist.
Het belangrijkste verweer van PCDA is dat Vita de door haar verzochte stukken al in haar bezit heeft. Vita heeft echter gesteld niet (meer) over de betreffende stukken te beschikken.
Wat hier ook van zij, niet valt in te zien waarom niet is tegemoetgekomen aan het eerdere verzoek van (de advocaat van) Vita om afgifte van de betreffende stukken. Volgens PCDA betreffen het immers stukken, waarvan de inhoud reeds bekend moet worden verondersteld bij Vita. Door tijdige afgifte van de stukken had onderhavig incident voorkomen kunnen worden. Het door PCDA opgeworpen argument van onnodige procesvertraging gaat dan ook niet op.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de drie voorwaarden van artikel 843a Rv. Vita heeft, mede gelet op het feit dat dit niet is weersproken door PCDA, haar belang bij de vordering voldoende onderbouwd. De verzochte bescheiden zijn voorts voldoende gespecificeerd en betreffen een rechtsbetrekking waarbij Vita partij is.
PCDA heeft voorts niet dan wel onvoldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van een van beide gronden genoemd in lid 4, op grond waarvan PCDA niettemin niet gehouden is de verzochte stukken af te geven. Het verweer dat Vita reeds over de stukken beschikt is daartoe onvoldoende.
De rechtbank is dus van oordeel dat de incidentele vordering kan worden toegewezen, met dien verstande dat de dwangsom en het daaraan verbonden maximum zullen worden gematigd.
4.4.
PCDA zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incident worden veroordeeld. De kosten van het incident aan de zijde van Vita worden tot op heden begroot op € 495,00 wegens salaris advocaat.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
veroordeelt PCDA om, binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis, aan Vita afschriften te verstrekken van de ten behoeve van Vita opgestelde en betekende dagvaardingen in kort geding, alsmede specificaties te verstrekken van de in de hoofdzaak door PCDA overgelegde facturen,
5.2.
bepaalt dat PCDA een dwangsom verbeurt van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan, dat PCDA weigert aan het in 5.1. bepaalde te voldoen, met een maximum van € 50.000,00,
5.3.
veroordeelt PCDA in de kosten van het incident, aan de zijde van Vita tot op heden begroot op € 495,00,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in de hoofdzaak
5.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
18 december 2013voor conclusie van antwoord,
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 6 november 2013. [1]

Voetnoten

1.FM