Eiseres, met de Ivoriaanse nationaliteit, had een asielvergunning voor bepaalde tijd ontvangen op grond van het categoriaal beschermingsbeleid voor Ivoorkust, geldig van 24 september 2006 tot 24 september 2011. Verweerder trok deze vergunning in per 3 september 2010, na beëindiging van het beschermingsbeleid, maar pas na afloop van de geldigheidsduur van de vergunning en zonder tijdige kennisgeving aan eiseres.
Eiseres stelde dat de intrekking met terugwerkende kracht onrechtmatig was en in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Verweerder verweerde zich met praktische redenen en het besluit- en vertrekmoratorium dat vanaf 31 maart 2011 gold.
De rechtbank oordeelde dat het moratorium geen rechtvaardiging bood voor de late intrekking en dat verweerder had nagelaten tijdig aan eiseres kenbaar te maken dat herbeoordeling zou plaatsvinden. De intrekking was daarmee in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €944 aan eiseres. De rechtbank zag geen aanleiding om de overige beroepsgronden te behandelen.