Belanghebbende, een BV, heeft haar aandelen in een deelneming verkocht en daarbij een vergoeding van €1.400.000 toegekend aan een externe adviseur die betrokken was bij de verkoop. De inspecteur stelde dat deze vergoeding onderdeel uitmaakt van de niet-aftrekbare kosten van vervreemding van de deelneming en corrigeerde de aangifte vennootschapsbelasting dienovereenkomstig.
De rechtbank beoordeelde of de vergoeding kwalificeert als verkoopkosten in de zin van artikel 13, eerste lid, Wet op de vennootschapsbelasting 1969. Uit de parlementaire geschiedenis en jurisprudentie volgt dat verkoopkosten analoog aan aankoopkosten moeten worden uitgelegd, namelijk als kosten die noodzakelijk zijn en in directe samenhang met de verkoop moeten worden gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat hoewel de vergoeding verband hield met de verkoop, deze niet noodzakelijk was om de verkoop te realiseren, aangezien de verkoop ook zonder deze betaling zou zijn doorgegaan. Daarom zijn de kosten aftrekbaar. Subsidiair oordeelde de rechtbank dat de kosten terecht ten laste van belanghebbende zijn gebracht en niet van de deelneming.
De aanslag werd verminderd tot nihil belastbaar bedrag en het verlies vastgesteld op €521.902. Tevens werd de inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende.