Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende exploiteert sporthallen in de gemeente X en stelt deze ter beschikking aan basisscholen. De gemeente betaalt hiervoor vergoedingen, deels op basis van het aantal klokuren en deels via een garantie op betaling van het begrotingstekort. De inspecteur legde een naheffingsaanslag omzetbelasting op over 2002, welke belanghebbende betwistte.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende als ondernemer optreedt en dat de gemeente als verbruiker van de diensten kan worden aangemerkt, ondanks haar overheidstaak. Er bestaat een voldoende rechtstreeks verband tussen de diensten en de betalingen, zodat deze vergoedingen belastbaar zijn volgens artikel 4 Wet Pro OB. Het beroep van belanghebbende op onbelaste subsidies werd verworpen.
Verder werd geoordeeld dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in 2004 een in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen aan de inspecteur dat de betalingen onbelast zouden zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de naheffingsaanslag omzetbelasting over 2002.